Ezechiël 37
Lees Ezechiël 37 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Onder het visioen van de opstanding der doden verzekert God zijn volk dat Hij hen zeker uit de gevangenschap van Babel, waar zij nu als doden en begravenen waren, zal verlossen, en in hun land zal terugbrengen, vers 1, enz. Hij profeteert voorts, onder het teken van het samenvoegen van twee houten in één hand, dat Hij zijn algemene Kerk uit Joden en heidenen zal vergaderen en verenigen onder één Koning en Herder, de Messias Jezus Christus, zijn eeuwig genadeverbond met hen zal sluiten, en eeuwig onder hen zal wonen, 15, 16, enz.
1De hand van JAHWEH was op mij, en JAHWEH voerde mij uit in de geest, en zette mij neer in het midden van een vallei; die nu was vol beenderen.
2En Hij deed mij daarbij voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op de grond van de vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
3En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zei: Adonai JAHWEH, U weet het!
4Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg daartoe: U dorre beenderen! hoort het woord van JAHWEH.
5Zo zegt Adonai JAHWEH tot deze beenderen: Zie, Ik zal de geest in u brengen, en u zult levend worden.
6En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en de geest in u geven, en u zult levend worden; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben.
7Toen profeteerde ik, zoals mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
8En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen daarop, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven daarover, maar er was geen geest in hen.
9En Hij zei tot mij: Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot de geest: Zo zegt Adonai JAHWEH: U geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
10En ik profeteerde, zoals Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een geheel zeer groot leger.
11Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het hele huis van Israël; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
12Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal uw graven openen, en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land van Israël.
13En u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
14En Ik zal Mijn Geest in u geven, en u zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en u zult weten, dat Ik, JAHWEH, dit gesproken en gedaan heb, spreekt JAHWEH.
15Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
16U nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het hele huis van Israël, zijn metgezellen.
17Doe u ze dan naderen, het één tot het ander tot één enig hout; en zij zullen tot één worden in uw hand.
18En wanneer de kinderen van uw volk tot u zullen spreken, zeggende: Zult u ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?
19Zo spreek tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal ze met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot één enig hout; en zij zullen één worden in Mijn hand.
20De houten nu, waarop u zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hun ogen.
21Spreek dan tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal de Israëlieten halen uit het midden van de heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal ze verzamelen van rondom, en brengen hen in hun land;
22En Ik zal ze maken tot één enig volk in het land, op de bergen van Israël; en zij zullen allen samen één enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
23En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden, en met hun gruwelen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen samen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn voorschriften bewaren en die doen.
25En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kleinkinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hun Vorst zijn tot in eeuwigheid.
26En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
27En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
28En de heidenen zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.