BijbelEzechiël

Ezechiël 39

Lees Ezechiël 39 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Verdere profetie over Gods oordeel over Gog en Magog, vers 1, enz. De grootte van zijn nederlaag wordt door verscheidene omstandigheden levendig afgebeeld, 9. God wil bekendmaken dat Hij zijn volk om hun zonden gestraft heeft, 23; maar het genadig weer, tot de laatste toe, zal vergaderen, herstellen, zijn Geest over hen uitgieten, en hun eeuwige gunst bewijzen, 25.

1Verder, u mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!

2En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen van Israël.

3Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

4Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van alle vleugel, en aan het gedierte van het veld tot voedsel gegeven.

5Op het open veld zult u vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH.

6En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben.

7En Ik zal Mijn heilige Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, de Heilige in Israël.

8Zie, het komt en zal gebeuren, spreekt Adonai JAHWEH; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb.

9En de inwoners van de steden van Israël zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als grote schilden, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van speren; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;

10Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt Adonai JAHWEH.

11En het zal op die dag gebeuren, dat Ik aan Gog daar een grafstede in Israël zal geven, het dal van de doorgangers naar het oosten van de zee; en dat zal de doorgangers de neus stoppen; en daar zullen zij begraven Gog en zijn hele menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.

12Het huis van Israël nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.

13Ja, al het volk van het land zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, op de dag als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt Adonai JAHWEH.

14Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op de aardbodem zijn overgelaten, om die te reinigen; na verloop van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.

15En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers het zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.

16Ook zo zal de naam van de stad Hamona zijn. Zo zullen zij het land reinigen.

17U dan, mensenkind! zo zegt Adonai JAHWEH: Zeg tot het gevogelte van alle vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Verzamel u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen van Israël, en eet vlees, en drinkt bloed.

18Het vlees van de helden zult u eten, en het bloed van de vorsten van de aarde drinken; van de rammen, van de lammeren, en bokken, en stieren, die allemaal gemesten van Basan zijn.

19En u zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.

20En u zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rijpaarden en wagenpaarden, van helden en alle soldaten, spreekt Adonai JAHWEH.

21En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.

22En die van het huis van Israël zullen weten, dat Ik, JAHWEH, hun God ben, van die dag af en voortaan.

23En de heidenen zullen weten, dat die van het huis van Israël als gevangene zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand van hun tegenstanders, zodat zij allemaal door het zwaard gevallen zijn;

24Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.

25Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: Nu zal Ik Jakobs gevangenen teruggeven, en zal Mij ontfermen over het hele huis van Israël, en Ik zal ijveren over Mijn heilige Naam;

26Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, waarmee zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.

27Als Ik hen zal hebben teruggebracht uit de volken, en hen verzameld zal hebben uit de landen van hun vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;

28Dan zullen zij weten, dat Ik, JAHWEH, hun God ben, omdat Ik ze als gevangene heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weer verzameld in hun land, en heb daar niemand van hen meer overgelaten.

29En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël zal hebben uitgegoten, spreekt Adonai JAHWEH.