Ezechiël 40
Lees Ezechiël 40 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Tijd en wijze van dit visioen, vers 1, 2. Een man bericht de profeet over het doel van het visioen, 3; over de muur die er rondom liep, en de maten, 5; over de poorten en voorhoven, te weten: het buitenste voorhof met zijn toebehoren, waar het volk placht te vergaderen, 6; het binnenste of middelste voorhof, met zijn toebehoren, waar het gereedschap van de Levieten was en de offers bereid werden, 28; het derde of binnenste voorhof, of voorhof van de priesters, waar het brandofferaltaar stond, 44; het voorhuis van de tempel, 48.
1In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op die dag, was de hand van JAHWEH op mij, en Hij bracht mij daarheen.
2In de visioenen Gods bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en daaraan was als een gebouw van een stad tegen het zuiden.
3Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, van wie de gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
4En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, bent u herwaarts gebracht; verkondig daarna aan het huis van Israël alles, wat u ziet.
5En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van één el en een handbreed, en hij meette de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet.
6Toen kwam hij tot de poort, die zag de weg naar het oosten, en hij ging bij die trappen op, en meette de dorpel van de poort een riet de breedte, en de andere dorpel een riet de breedte.
7En elk kamertje een riet de lengte, en een riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en de dorpel van de poort, bij het voorhuis van de poort van binnen, een riet.
8Ook meette hij het voorhuis van de poort van binnen, een riet.
9Toen meette hij het andere voorhuis van de poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis van de poort was van binnen.
10En de kamertjes van de poort, de weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van de andere zijde; die drie hadden dezelfde maat; ook hadden de posten, van deze en van de andere zijde, dezelfde maat.
11Verder meette hij de wijdte van de deur van de poort tien ellen; de lengte van de poort dertien ellen.
12En er was een ruim voor aan de kamertjes, van een el van deze, en een ruim van een el van de andere zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van de andere zijde.
13Toen meette hij de poort van het dak van het ene kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.
14Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot de post van de voorhof, rondom de poort heen.
15En van het voorste deel van de poort van de ingang, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen.
16En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; zo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.
17Verder bracht hij mij in het buitenste voorhof, en ziet, er waren kamers, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom heen, dertig kamers waren er op het plaveisel.
18Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten; dit was het benedenste plaveisel.
19En hij meette de breedte, van het voorste deel van de benedenste poort af, voor aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, naar het oosten en naar het noorden.
20Voor wat betreft de poort nu, die de weg naar het noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij meette haar lengte en haar breedte.
21En haar kamertjes, drie van deze en drie van de andere zijde; en haar posten en haar voorhuizen waren naar de maat van de eerste poort; vijftig ellen haar lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen.
22En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor daaraan.
23De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij meette van poort tot poort honderd ellen.
24Daarna voerde hij mij de weg naar het zuiden; en ziet, er was een poort de weg naar het zuiden; en hij meette haar posten, en haar voorhuizen, naar deze maten.
25En zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen, zoals deze vensters; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.
26En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor daaraan; en zij had palmbomen, één van deze, en één van de andere zijde aan haar posten.
27Ook was er een poort in het binnenste voorhof, de weg naar het zuiden; en hij meette van poort tot poort, de weg naar het zuiden, honderd ellen.
28Verder bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en hij meette de zuiderpoort naar deze maten.
29En haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensters, ook in haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.
30En er waren voorhuizen rondom heen; de lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen.
31En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen.
32Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, de weg naar het oosten; en hij meette de poort, naar deze maten;
33Ook haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensters ook aan haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.
34En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van de andere zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.
35Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij meette naar deze maten.
36Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensters rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.
37En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van de andere zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.
38Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar waste men het brandoffer.
39En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van de andere zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.
40Ook waren er aan de zijde van buiten van de opgang, aan de deur van de noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis van de poort was, twee tafelen.
41Vier tafelen van deze, en vier tafelen van de andere zijde, aan de zijde van de poort, acht tafelen, waarop men slachtte.
42Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; daarop nu legde men het gereedschap heen, waarmee men het brandoffer en slachtoffer slachtte.
43De haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt in het huis rondom heen; en op de tafelen was het offervlees.
44En van buiten de binnenste poort waren de kamers van de zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel daarvan was de weg naar het zuiden; één was er aan de zijde van de oostpoort, ziende de weg naar het noorden.
45En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de taak van het huis waarnemen.
46Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de taak van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot JAHWEH naderen, om Hem te dienen.
47En hij meette het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis.
48Toen bracht hij mij tot het voorhuis van het huis, en hij meette elke post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van de andere zijde; en de breedte van de poort, drie ellen van deze, en drie ellen van de andere zijde.
49De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, waarbij men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze, en één van de andere zijde.