Ezechiël 43
Lees Ezechiël 43 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De heerlijkheid van de HEERE komt van het oosten in deze nieuwe tempel, en vervult die, vers 1, 2, enz. De HEERE spreekt de profeet aan, en belooft dat Hij eeuwig daar onder zijn volk zal wonen, en hen van zonden (die Hem uit de oude tempel hadden doen verhuizen) zal reinigen, 7. Hij gebiedt de profeet dit hele gebouw aan het volk nauwkeurig voor te dragen, opdat zij zich bekeren en aan dit genadewerk van God deel mogen krijgen, 10. Algemene wet over de heiligheid van deze hele plaats, 12. De maten, inwijding en het gebruik van het brandofferaltaar, 13.
1Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die de weg naar het oosten zag.
2En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.
3En zo was de gedaante van het visioen, dat ik zag, zoals het visioen, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren visioenen, als het visioen, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
4En de heerlijkheid van JAHWEH kwam in het huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten zag.
5En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis vervuld.
6En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande.
7En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de Israëlieten, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
8Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar één wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelijke dingen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.
9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.
10U mensenkind; wijs aan het huis van Israël dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten.
11En als zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend de vorm van het huis, en zijn gestalte, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn instellingen, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn hele vorm en al zijn instellingen bewaren, en die doen.
12Dit is de wet van het huis: op de hoogte van de berg zal zijn hele grens, rondom heen, een heiligheid van de heiligheden zijn; zie, dit is de wet van het huis.
13En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; het voetstuk van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug van het altaar.
14Van het voetstuk nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.
15En de Harel vier ellen; en van de Ariël verder omhoog, de vier hoornen.
16De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.
17En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft van een el; en het voetstuk daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.
18En Hij zei tot mij: Mensenkind! zo zegt Adonai JAHWEH: Dit zijn de instellingen van het altaar, op de dag als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprenkelen.
19En u zult aan de Levietische priesters, die uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt Adonai JAHWEH), om Mij te dienen, geven een stier, een jong rund, als zondoffer.
20En u zult van het bloed daarvan nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het ontzondigen, en het verzoenen.
21Daarna zult u de stier van het zondoffer nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.
22En op de tweede dag zult u een volkomen geitenbok offeren als zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, zoals zij dat ontzondigd hebben met de stier.
23Als u een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult u een stier, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.
24En u zult ze offeren voor het aangezicht van JAHWEH; en de priesters zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren als brandoffer voor JAHWEH.
25Zeven dagen zult u dagelijks een bok van het zondoffer bereiden; ook zullen zij een stier, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.
26Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.
27Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtste dag en voortaan gebeuren, dat de priesters uw brandoffers en uw dankoffers op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt Adonai JAHWEH.