BijbelEzechiël

Ezechiël 46

Lees Ezechiël 46 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Verordeningen over de godsdienst van de vorst in het bijzonder, en van het volk van het land en de vorst samen, vers 1, 2, enz.; eveneens over het voortdurend brandoffer, 13; en over de geschenken van de vorst aan zijn zonen en aan zijn knechten, 16. Beschrijving van de keukens voor de priesters en Levieten, 19.

1Zo zegt Adonai JAHWEH: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op de sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op de dag van de nieuwe maan.

2En de vorst zal ingaan door de weg van het voorhuis van die poort van buiten, en zal staan aan de post van de poort; en de priesters zullen zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden, en hij zal aanbidden aan de dorpel van de poort, en daarna uitgaan; maar de poort zal niet gesloten worden tot op de avond.

3Ook zal het volk van het land aanbidden voor de deur van die poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht van JAHWEH.

4Het brandoffer nu, dat de vorst aan JAHWEH zal offeren, zal op de sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram.

5En het voedseloffer, een efa tot de ram, maar tot de lammeren zal het voedseloffer een gave van zijn hand zijn; en olie, een hin tot een efa.

6Maar op de dag van de nieuwe maan, een stier, een jong rund, van de volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen zij zijn.

7En als voedseloffer zal hij bereiden een efa tot de stier, en een efa tot de ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa.

8En als de vorst ingaat, zal hij door de weg van het voorhuis van de poort ingaan, en door de weg daarvan weer uitgaan.

9Maar als het volk van het land voor het aangezicht van JAHWEH komt, op de vastgestelde hoogtijden, die door de weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door de weg van de zuiderpoort weer uitgaan; en die door de weg van de zuiderpoort ingaat, zal door de weg van de noorderpoort weer uitgaan; hij zal niet terugkeren door de weg van de poort, waardoor hij is ingegaan, maar recht voor zich heen uitgaan.

10De vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij uitgaan, zullen zij samen uitgaan.

11Verder op de feesten, en op de vastgestelde hoogtijden zal het voedseloffer zijn, een efa tot een stier, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een gave van zijn hand; en olie, een hin tot een efa.

12En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankoffers tot een vrijwillig offer voor JAHWEH, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijn dankoffers doen, zoals hij zal gedaan hebben op de sabbatdag; en als hij weer uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn.

13Verder zult u een volkomen eenjarig lam dagelijks bereiden als brandoffer voor JAHWEH; elke morgen zult u dat bereiden.

14En u zult als voedseloffer daarop doen, elke morgen een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een voedseloffer voor JAHWEH, tot eeuwige voorschriften, steeds.

15Zij zullen dan het lam, en het voedseloffer, en de olie elke morgen bereiden tot een voortdurend brandoffer.

16Zo zegt Adonai JAHWEH: Wanneer de vorst aan iemand van zijn zonen een geschenk zal geven van zijn erfenis, dat zullen zijn zonen hebben; het zal hun bezitting zijn in erfenis.

17Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot de vorst terugkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben.

18En de vorst zal niets nemen van de erfenis van het volk, om hen van hun bezitting te beroven; van zijn bezitting zal hij zijn zonen erf nalaten; opdat niet Mijn volk, ieder uit zijn erfenis, verstrooid wordt.

19Daarna bracht hij mij door de ingang, die aan de zijde van de poort was, tot de heilige kamers, de priesters toebehorende, die naar het noorden zagen, en zie, daar was een plaats aan beide zijden, naar het westen.

20En hij zei tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het voedseloffer zullen bakken, opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen.

21Toen bracht hij mij in het buitenste voorhof, en voerde mij om in de vier hoeken van de voorhof; en ziet, in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje.

22In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes met schoorstenen, van veertig ellen de lengte, en dertig de breedte; deze vier hoekhofjes hadden dezelfde maat.

23En er was rondom daarin een ringmuur, rondom deze vier; en er waren keukens gemaakt beneden aan de ringmuren rondom.

24En hij zei tot mij: Dit zijn de keukens, alwaar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk zullen koken.