Ezechiël 47
Lees Ezechiël 47 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Het visioen van de heilige wateren, die uit de nieuwe tempel vloeiden, vers 1, enz. Beschrijving van de grenzen van het nieuwe erfland, 13, uit te delen voor Israël en de vreemdelingen, 21.
1Daarna bracht hij mij weer tot de deur van het huis, en ziet, er stroomden wateren uit, van onder de dorpel van het huis naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde van het huis, van het zuiden van het altaar.
2En hij bracht mij uit door de weg van de noorderpoort, en voerde mij om door de weg van buiten, tot de buitenpoort, de weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde.
3Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij meette duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen.
4Toen meette hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij meette nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de middel.
5Verder meette hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan.
6En hij zei tot mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weer tot aan de oever van de beek.
7Als ik keerde terug, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel geboomte, van deze en van de andere zijde.
8Toen zei hij tot mij: Deze wateren stromen uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.
9Ja, het zal gebeuren, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarheen een van de twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarheen deze beek zal komen.
10Ook zal het gebeuren, dat er vissers daaraan zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer veelvuldig.
11Maar haar modderige plaatsen en haar moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.
12Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van de andere zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, waarvan het blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren stromen uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot voedsel, en zijn blad tot heling.
13Zo zegt Adonai JAHWEH: Dit zal de grens zijn, waarnaar u het land als erfenis zult nemen, naar de twaalf stammen van Israël: Jozef twee snoeren.
14En u zult dat erven, de één zowel als de ander; over dat Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaders zou geven; en ditzelve land zal u in erfenis vallen.
15Dit nu zal de grens van het land zijn: aan de noordzijde, van de grote zee af, de weg van Hethlon, waar men komt te Zedad.
16Hamath, Berotha, Sibraim, dat tussen de grens van Damascus en tussen de grens van Hamath is; Hazar Hattichon, dat aan de grens van Havran is.
17Zo zal de grens van de zee af zijn, Hazar-enon, de grens van Damascus, en het noorden naar het noorden, en de grens van Hamath; en dat zal de noordzijde zijn.
18De oostzijde nu zult u meten van tussen Havran, en van tussen Damascus, en van tussen Gilead, en van tussen het land van Israël aan de Jordaan, van de grens af tot de Oostzee toe; en dat zal de oostzijde zijn.
19En de zuidzijde naar het zuiden van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee; en dat zal de zuidzijde naar het zuiden zijn.
20En de westzijde, de grote zee, van de grens af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westzijde zijn.
21Ditzelve land nu zult u zich uitdelen naar de stammen van Israël.
22Maar het zal gebeuren, dat u het zult doen vallen in erfenis voor u, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen u zijn, als een ingezetene onder de Israëlieten; zij zullen met u in erfenis vallen, in het midden van de stammen van Israël.
23Ook zal het gebeuren, in de stam, bij welke de vreemdeling verkeert, daar zult u hem zijn erfenis geven, spreekt Adonai JAHWEH.