Ezechiël 6
Lees Ezechiël 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie over de verwoesting van het land, om de gruwelijke afgoderij van het volk, vers 1, enz. Beloften van genade aan een klein boetvaardig overblijfsel, 8. De profeet krijgt de opdracht door gebaren van ontsteltenis en rouw de zonden en plagen van het volk af te beelden, 11.
1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
2Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen van Israël, en profeteer daartegen;
3En zeg: U bergen van Israël, hoort het woord van Adonai JAHWEH! Zo zegt Adonai JAHWEH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen: Zie, Ik, Ik breng over u het zwaard, en Ik zal uw hoogten verderven.
4Daartoe zullen uw altaren verwoest, en uw zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal uw verslagenen neervellen voor het aangezicht van uw afgoden.
5En Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten voor het aangezicht van hun afgoden leggen, en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren strooien.
6In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw afgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgewist worden.
7En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben.
8Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als u enigen zult hebben, die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer u in de landen zult verstrooid worden.
9Dan zullen uw ontkomenen Mij gedenken onder de heidenen, waar zij als gevangene zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun afgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelijke dingen gedaan hebben.
10En zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben; Ik heb niet tevergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen.
11Zo zegt Adonai JAHWEH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelijke dingen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen.
12Die verre af is, zal door de pest sterven, en die nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven; zo zal Ik Mijn woede tegen hen volbrengen.
13Dan zult u weten, dat Ik JAHWEH ben, als hun verslagenen in het midden van hun afgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen van de bergen, en onder alle groene boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij aan al hun afgoden een liefelijke reuk maakten.
14Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath heen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik JAHWEH ben.