BijbelEzra

Ezra 6

Lees Ezra 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Koning Darius laat zoeken naar het bevel van koning Kores, vers 1. en toen dit gevonden was, zendt de koning een zeer krachtig bevel aan zijn landvoogd en de gehele landraad, dat zij niet alleen de Joden niet zullen verhinderen, maar hun op alle manieren behulpzaam zijn, zowel bij de bouw van de tempel als bij de benodigdheden voor de godsdienst, vers 2 enz. De landvoogd voert dit bevel uit, en zo wordt de tempel voltooid en ingewijd, 13. Voorts wordt ook het Paasfeest met vreugde gehouden, 19.

1Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.

2En te Achmetha, in de burcht, die in het gewest Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was zo geschreven: GEDACHTENIS;

3In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis van God te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offergaven offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;

4Met drie rijen van grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis van de koning gegeven worden.

5Daartoe zal men ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van God, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar de tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren in het huis van God.

6Nu, u Thathnai, landvoogd aan de overzijde van de rivier, u Sthar-Boznai, met uw gezelschap, u Afarsechaïeten, die aan de overzijde van de rivier bent, wees verre van daar!

7Laat hen aan de arbeid van dit huis van God; dat de landvoogd van de Joden en de oudsten van de Joden dit huis van God bouwen aan zijn plaats.

8Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de belasting aan de overzijde van de rivier, de onkosten deze mannen spoedig gegeven worden, opdat men hen niet belette.

9En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandoffers aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij;

10Opdat zij offergaven van liefelijke reuk aan de God van de hemel offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen.

11Verder wordt bevel van mij gegeven, dat al degene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een mesthoop gemaakt worden.

12De God nu, die Zijn Naam daar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis van God, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoedig gedaan worde.

13Toen deden Thathnai, de landvoogd aan de overzijde van de rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoedig zo, naar wat de koning Darius gezonden had.

14En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië.

15En dit huis werd volbracht op de derde dag van de maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van de koning Darius.

16En de Israëlieten, de priesters en Levieten, en de overige kinderen van de gevangenis deden de inwijding van dit huis van God met vreugde.

17En zij offerden, ter inwijding van dit huis van God, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, als zondoffer voor geheel Israël, naar het getal van de stammen van Israël.

18En zij stelden de priesters in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot de dienst van God, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift van het boek van Mozes.

19Ook hielden de kinderen van de gevangenis het pascha, op de veertienden van de eerste maand.

20Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als één enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen van de gevangenis, en voor hun broers, de priesters, en voor zichzelf.

21Zo aten de Israëlieten, die uit de gevangenis wedergekomen waren, en ook al wie zich van de onreinheid van de heidenen van het land tot hen afgezonderd had, om JAHWEH, de God van Israël, te zoeken.

22En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want JAHWEH had hen verblijd, en het hart van de koning van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis van God, van de God van Israël.