BijbelEzra

Ezra 8

Lees Ezra 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Register van hen die met Ezra zijn opgetrokken, vers 1 enz. Ezra, het volk onderweg bij Ahava overziende en geen Levieten vindende, zendt naar Kasifja en verkrijgt vandaar enige bekwame Levieten en tempelknechten, 15. Hij roept een vasten uit, dat men God bidt om een voorspoedige reis, 21. Hij geeft de oversten van de priesters en Levieten alle schatten die zij moesten bewaren en aan het huis van de HEERE moesten afleveren, 24. Hij breekt op en komt voorspoedig te Jeruzalem, 31. De schatten worden getrouw afgeleverd waar het behoorde, en de bevelen van de koning worden aan zijn stadhouders en landvoogden gegeven en door hen opgevolgd, 33.

1Dit nu zijn de familiehoofden, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van de koning Arthahsasta.

2Van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus.

3Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan mannen, honderd en vijftig.

4Van de kinderen van Pahath-moab, Eljehoenai, de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd mannen.

5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziël; en met hem driehonderd mannen.

6En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig mannen.

7En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig mannen.

8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michaël; en met hem tachtig mannen.

9En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiël; en met hem tweehonderd en achttien mannen.

10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig mannen.

11En van de kinderen van Babai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig mannen.

12En van de kinderen van Azgad, Johanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien mannen.

13En van de laatste kinderen van Adonikam, van wie de namen deze waren: Elifelet, Jehiël, en Semaja; en met hen zestig mannen.

14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig mannen.

15En ik verzamelde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons daar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesters, en vond daar geen van de kinderen van Levi.

16Zo zond ik tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars;

17En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broer, en de tempelknechten, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaren voor het huis van onze God.

18En zij brachten ons, naar de goede hand van onze God over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, de zoon van Levi, de zoon van Israël; namelijk Serebja, met zijn zonen en broers, achttien;

19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broers, en hun zonen, twintig;

20En van tempelknechten, die David en de vorsten ten dienste van de Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig tempelknechten, die allen bij namen genoemd werden.

21Toen riep ik daar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God, om van Hem te verzoeken een rechte weg, voor ons, en voor onze kinderen, en voor al onze bezittingen.

22Want ik schaamde mij van de koning een leger en ruiters te begeren, om ons te helpen van de vijand, op de weg; omdat wij tot de koning hadden gesproken, zeggende: De hand van onze God is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.

23Zo vastten wij; en verzochten dat van onze God; en Hij liet zich van ons verbidden.

24Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten van de priesters: Serebja, Hasabja, en tien van hun broers met hen.

25En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de voorwerpen, zijnde de offering van het huis van onze God die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en geheel Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden;

26Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig talenten zilver, en honderd zilveren voorwerpen in talenten; aan goud, honderd talenten;

27En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee voorwerpen van blinkend goed koper, begeerlijk als goud.

28En ik zei tot hen: U bent heilig JAHWEH, en deze voorwerpen zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, JAHWEH, de God van uw vaders.

29Waak en bewaart het, totdat u het opweegt, in aanwezigheid van de oversten van de priesters en Levieten, en van de vorsten van de vaders van Israël, te Jeruzalem, in de kamers van het huis van JAHWEH.

30Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht van het zilver en van het goud, en van de voorwerpen, om te brengen te Jeruzalem, in het huis van onze God.

31Zo verreisden wij van de rivier Ahava, op de twaalfden van de eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand van onze God was over ons, en redde ons van de hand van de vijand, en van degene, die ons hinderlagen legde op de weg.

32En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven daar drie dagen.

33Op de vierde dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de voorwerpen, in het huis van onze God, aan de hand van Meremoth, de zoon van Uria, de priester, en met hem Eleazar, de zoon van Pinehas; en met hem Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnui, de Levieten.

34Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het hele gewicht werd in die tijd opgeschreven.

35En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden de God van Israël brandoffers; twaalf stieren voor geheel Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken als zondoffer; alles als brandoffer voor JAHWEH.

36Daarna gaven zij de wetten van de koning aan de stadhouders van de koning en landvoogden aan deze zijde van de rivier; en zij bevorderden het volk en het huis van God.