Bijbel

Filippenzen

Nieuwe Testament · 4 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Toen de apostel Paulus in een goddelijk visioen door een Macedonisch man vermaand was om het Evangelie te prediken in Macedonië, is hij daarmee begonnen in de stad Filippi. Nadat hij daar een gemeente had gesticht, heeft hij vanuit zijn gevangenschap te Rome deze brief door Epafroditus aan hen gezonden, om hen in het geloof te versterken (Fil. 2:25). Daartoe prijst hij eerst, na het opschrift, de Filippenzen om hun standvastigheid in het geloof, ondanks zijn boeien en verdrukkingen, die hij vermeldt, met de vrucht daarvan. Daarna verklaart hij dat hij, hoewel hij liever wilde sterven en bij Christus zijn, er toch op vertrouwde dat hij nog een tijd lang in leven zou blijven, tot hun dienst en bestwil (Hoofdstuk 1). Verder vermaant hij hen tot allerlei christelijke deugden, vooral tot geduld, standvastigheid, eensgezindheid en nederigheid, naar het voorbeeld van Christus, die, hoewel hij in de gestalte van God was, zichzelf vernederd heeft tot de dood aan het kruis; en hij voegt daarbij een aanbeveling van Timoteüs en Epafroditus (Hoofdstuk 2). Daarna waarschuwt hij hen voor de valse apostelen die de wet en het Evangelie vermengden en leerden dat de zaligheid verkregen moest worden door het onderhouden van de wet naast het geloof in Christus; daartegenover stelt hij zijn eigen voorbeeld en geloof in Christus alleen, om na te volgen (Hoofdstuk 3). En nadat hij twee vrouwen daar tot vrede vermaand heeft, voegt hij daar opnieuw een algemene vermaning tot allerlei christelijke deugden aan toe; ten slotte prijst hij de mildheid die de gemeente van Filippi hem tot zijn onderhoud had betoond, en daarmee besluit hij de brief met de gebruikelijke groeten (Hoofdstuk 4).