BijbelGalaten

Galaten 3

Lees Galaten 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel bewijst, na een scherpe berisping van de Galaten, verder dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar door het geloof in Christus. 2 aangezien zij zelf hadden ondervonden dat zij de gaven van de Geest niet door de wet maar door het geloof ontvangen hadden. 6 Hij bewijst het ook door het voorbeeld van Abraham, die een vader is van alle gelovigen. 10 en door enige duidelijke getuigenissen van de Heilige Schrift. 13 Hij betuigt dat Christus ons van de vloek van de wet verlost heeft en de zegen verworven heeft. 15 Dat met deze leer de wet niet wordt tenietgedaan, noch krachteloos gemaakt, noch in strijd is met de belofte van God. 19 maar dat die ons de zonde aanwijst. 24 en als een tuchtmeester tot Christus leidt. 25 Daarna leert hij hoe de wet van Mozes door Christus afgedaan is voor alle gelovigen: zonder onderscheid van volken of hoedanigheden. 29 omdat zij allen Abrahams zaad zijn.

1O u dwaze Galaten, wie heeft u betoverd, dat u om de waarheid niet zou gehoorzaam zijn; die Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?

2Dit alleen wil ik van u leren: hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

3Bent u zo dwaas? Daar u met de Geest begonnen bent, voltooit u nu met het vlees?

4Hebt u zoveel tevergeefs geleden? Als maar ook tevergeefs!

5Die u dan de Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

6Zoals Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;

7Zo verstaat u dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.

8En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.

9Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham.

10Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen.

11En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

12Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven.

13Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt.

14Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte van de Geest verkrijgen zouden door het geloof.

15Broeders, ik spreek naar de mens: zelfs het verbond van een mens, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe.

16Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van één: En uw zade; dat is Christus.

17En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.

18Want als de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de belofte; maar God heeft ze Abraham door de belofte genadig gegeven.

19Waartoe is dan de wet? Zij is omwille van de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar.

20En de Middelaar is niet Middelaar van één, maar God is één.

21Is dan de wet tegen de beloften van God? Volstrekt niet; want als er een wet gegeven was, die machtig was levend te maken, zo zou werkelijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.

22Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.

23Maar voordat het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden.

24Zo dan, de wet is onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.

25Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder de leermeester.

26Want u bent alle kinderen van God door het geloof in Christus Jezus.

27Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan.

28Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent één in Christus Jezus.

29En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.