Galaten 4
Lees Galaten 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel verklaart verder wat hij tevoren gezegd had over het tuchtmeesterschap van de wet, met een gelijkenis ontleend aan een onmondig kind, dat nog onder de voogden staat, 4 en betuigt dat wij nu door de komst van de Zoon van God in het vlees van de voogdij en dienstbaarheid van de wet verlost zijn. 6 Zodat wij nu kinderen van God zijn, die, mondig geworden zijnde, onze erfenis zelf mogen bezitten. 8 Hij bestraft de Galaten dat zij, hoewel zij uit de heidense afgoderij bekeerd waren, zich weer begaven tot de dienstbaarheid van uiterlijke ceremoniën. 12 Hij vermaant hen dat zij volharden in de ijver en goede genegenheid jegens hem, waarmee zij eerst het Evangelie hadden ontvangen. 17 hen waarschuwend voor de verkeerde ijver van de valse leraars. 19 Daarna verzacht hij deze bestraffing met een liefdevolle aanspraak, wensend dat hij bij hen mocht zijn. 21 Hij bewijst verder uit de wet zelf, dat wij aan haar dienstbaarheid niet meer onderworpen zijn, noch door de wet gerechtvaardigd kunnen worden, door toepassing van de voorbeelden van de twee zonen van Abraham, namelijk Izak en Ismaël, en van hun moeders Sara en Hagar. 24 alsook van de berg Sinaï en de stad Jeruzalem: waardoor de twee verbonden worden aangeduid, 28 Hij leert dat de erfenis met Izak door de belofte van het Evangelie te verkrijgen is, hoewel met vervolging. 30 En dat zij die door de wet zalig zoeken te worden, met Ismaël van de erfenis verstoten zullen worden.
1Maar ik zeg, zolang de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienaar, hoewel hij een heer is van alles;
2Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd van de vader te voren bepaald.
3Zo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld.
4Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
5Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
6En omdat u kinderen bent, zo heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
7Zo dan, u bent niet meer een dienaar, maar een zoon; en als u een zoon bent, zo bent u ook een erfgenaam van God door Christus.
8Maar toen, als u God niet kende, diende u degenen, die van nature geen goden zijn;
9En nu, als u God kent, ja, veelmeer van God gekend bent, hoe keert u zich opnieuw tot de zwakke en arme beginselen, die u opnieuw van voren aan wilt dienen?
10U onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.
11Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gewerkt heb.
12Wees u als ik, want ook ik ben als u; broeders, ik bid u; u hebt mij geen ongelijk gedaan.
13En u weet, dat ik u door zwakheid van het vlees het Evangelie de eerste keer verkondigd heb;
14En mijn verzoeking, die in mijn vlees gebeurde, hebt u niet veracht noch verfoeid; maar u nam mij aan als een engel van God, ja, als Christus Jezus.
15Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat u, zo het mogelijk was, uw ogen zou uitgegraven, en mij gegeven hebben.
16Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?
17Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat u over hen zou ijveren.
18Maar in het goede altijd te ijveren is goed, en niet alleen, als ik bij u tegenwoordig ben;
19Mijn kinderen, die ik opnieuw arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.
20Maar ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u was, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.
21Zeg mij, u, die onder de wet wilt zijn, hoort u de wet niet?
22Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.
23Maar de één, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; maar de ander, die uit de vrije was, door de beloftenis;
24Dat dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van de berg Sinai, tot dienstbaarheid barende, dat is Hagar;
25Want dit, namelijk Hagar, is Sinai, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
26Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder.
27Want er is geschreven: Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft.
28Maar wij, broeders, zijn kinderen van de belofte, als Izak was.
29Maar zoals toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde degene, die naar de Geest geboren was, zo ook nu.
30Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon van de dienstmaagd zal in geen geval erven met de zoon van de vrije.
31Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd, maar van de vrije.