Gebed van Azarja 1
Lees Gebed van Azarja 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
24 Azaria, die met zijn twee metgezellen in de vlam wandelt, doet een gebed tot God, 26 waarin hij God prijst om zijn rechtvaardigheid, 29 en belijdt dat de Israëlieten vanwege hun zonden rechtvaardig gestraft worden, 42 en bidt God dat hij hen wil verlossen. 46 Verhaald wordt dat de vlam van het vuur de Chaldeeën verslond, en Azaria en zijn metgezellen niet beschadigde, omdat een engel van de HEERE bij hen kwam.
24EN zij wandelden in het midden van de vlam, zingende God, en lovende Heere.
25En Azaria stond en bad, en zijn mond geopend hebbende in het midden van het vuur, zei hij:
26Geloofd bent U, Heere, U God van onze vaders, Uw Naam zij geprezen en verheerlijkt in de eeuwigheid.
27Want U bent rechtvaardig in alles, wat U ons gedaan hebt; en al Uw werken zijn waarachtig, en Uw wegen zijn recht, en al Uw oordelen zijn waarheid.
28U hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat U over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad van onze vaders, want U hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, vanwege onze zonden.
29Omdat wij gezondigd en goddeloosheid begaan hebben, toen wij van U afgeweken zijn, en ons in alles hebben bezondigd.
30En wij hebben Uw geboden niet gehoord, noch gehouden; en hebben niet gedaan zoals U ons geboden had, opdat het ons goed zou gaan.
31En al wat U over ons gebracht hebt, en al wat U ons hebt gedaan, dat hebt U in een waarachtig gericht gedaan;
32En hebt ons overgegeven in de handen van de goddeloze vijanden, en van de allervijandigste afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die de booste is op de hele wereld.
33En nu durven wij onze mond niet opendoen, wij zijn een schande en spot geworden voor Uw knechten, en voor allen die U dienen.
34Maar geef ons niet over ten einde toe omwille van Uw Naam, en verstoot Uw verbond niet.
35En neem Uw barmhartigheid niet van ons, omwille van Abraham, die door U geliefd is, en omwille van Izaäk, Uw knecht, en omwille van Israël, Uw heilige;
36Tot wie U gesproken hebt, dat U hun zaad zult vermenigvuldigen zoals de sterren van de hemel, en zoals het zand dat aan de oever van de zee is.
37Want, Heere, wij zijn minder geworden dan al de heidenen, en wij zijn vandaag vernederd op de hele aarde, vanwege onze zonden.
38En wij hebben in deze tijd, noch vorst noch profeet, noch voorganger, noch brandoffer, noch slachtoffer, noch voedseloffer, noch reukoffer;
39Noch plaats om van onze vrucht voor U te offeren, en genade te vinden.
40Maar neem ons aan, in een verbroken hart, en in een vernederde geest; zoals in brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo zij vandaag onze offergave voor U, en zij volmaakt bij U, want zij zullen niet beschaamd worden, die op U betrouwen.
41En nu, wij volgen U na met heel ons hart, en vrezen U, en zoeken Uw aangezicht.
42Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar Uw goedertierenheid, en naar de menigte van Uw barmhartigheid.
43En verlos ons hieruit naar Uw wonderdaden en geef, Heere, Uw Naam eer.
44En laat beschaamd worden allen die Uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden.
45En doe hun gewaarworden, dat U Heere bent, de enige God, die heerlijk is op de hele aarde.
46De dienaren nu van de koning, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs.
47En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog.
48En ging voort, en verbrandde de Chaldeeën, die zij rondom de oven vond.
49En de engel van Heere daalde neer bij Azaria en zijne gezellen in de oven;
50En stootte de vlam van het vuur uit de oven, en maakte het middelste van de oven alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen geheel niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bezorgdheid aan.