Gebed van Manasse 1
Lees Gebed van Manasse 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Manasse, koning van Juda, die vanwege zijn zonden gevankelijk naar Babylon weggevoerd is, erkent Gods grote macht, majesteit, barmhartigheid en rechtvaardigheid. 9 Belijdt voor God zijn grote zonden. 10 Klaagt over zijn zware verdrukking. 11 En bidt de HEERE om genade en vergeving van zijn zonden, 14 met de belofte van verbetering van zijn leven.
1Heere, almachtige God, U God van onze vaders Abraham, Izaäk, en Jakob, en van hun zaad.
2Die de hemel en de aarde gemaakt hebt met al hun sieraad.
3Die de zee verzegeld hebt met Uw gebiedend woord, en de afgrond besloten en verzegeld hebt door Uw schrikkelijke en heerlijke naam.
4Voor Wie alle dingen schrikken, en sidderen voor Uw machtig aangezicht.
5Want de majesteit van Uw heerlijkheid is onverdragelijk, en het dreigen van Uw toorn tegen de zonde is onduldbaar.
6Maar de barmhartigheid van Uw beloften is onmetelijk, en ondoorgrondelijk; want U, Heere, bent de Allerhoogste, U bent geduldig, van grote goedheid, en zeer genadig, en het berouwt U over de kinderen van de mensen.
7U, Heere, die naar de grootte van Uw goedheid hebt beloofd, dat het U berouwen zal, en dat U vergeven zult degenen die tegen U hebben gezondigd, en door de menigte van Uw ontfermingen, naar Uw besluit, geeft U de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid.
8U, Heere, die een God bent van de rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, die tegen U niet hebben gezondigd; maar U hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.
9Want mijn zonden zijn meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Heere, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waard dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte van mijn overtredingen.
10Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik Uw toorn verwekt, en kwaad voor Uw ogen gedaan heb; omdat ik Uw wil niet heb gedaan, en Uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelijke dingen opgericht, en veel aanstoot gegeven.
11Nu buig ik dan de knieën van mijn hart, en bid U om genade; ik heb gezondigd, Heere, ik heb gezondigd, en beken mijn misdaden.
12Daarom bid en smeek ik U, vergeef het mij, Heere, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen van de aarde, want U bent God, een God van de boetvaardigen.
13Maar bewijs mij al Uw goedheid, en behoud mij onwaardige, naar Uw grote barmhartigheid.
14En ik zal U loven al de dagen van mijn leven, want ook al de kracht van de hemelen looft U, en U komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid.