Genesis 1
Lees Genesis 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God schept de hemel en de aarde, vers 1-2, en het licht, op de eerste dag, 3. Op de tweede dag het uitspansel, met scheiding van de onderste en bovenste wateren, 6. Op de derde scheidt Hij het droge en de wateren, 9. Hij schept gras en vruchtbare bomen, 11. Op de vierde dag de zon, maan en sterren, 14. Op de vijfde dag kleine en grote vissen, en het gevogelte, met zegening, 20. Op de zesde dag het gedierte van de aarde, 24. En ten slotte de mens, man en vrouw, naar Zijn beeld, en geeft hun heerschappij en Zijn zegen, 26. Ook onderscheidt Hij het voedsel van de mens en van de dieren, 29. Hij noemt al Zijn schepselen goed, 31.
1In het begin schiep God de hemel en de aarde.
2De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
3En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
5En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
6En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
7En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was zo.
8En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.
9En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in één plaats verzameld worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo.
10En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
11En God zei: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiend, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, waarvan het zaad daarin zij op de aarde! En het was zo.
12En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiend naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, waarvan het zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
13Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.
14En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!
15En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde! En het was zo.
16God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren.
17En God stelde ze in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde.
18En om te heersen op de dag, en in de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
19Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.
20En God zei: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel!
21En God schiep de grote walvissen, en alle levende wemelende ziel, die de wateren overvloedig voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
22En God zegende ze, zeggende: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
23Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.
24En God zei: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte van de aarde, naar zijn aard! En het was zo.
25En God maakte het wild gedierte van de aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
26En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de hele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
28En God zegende hen, en God zei tot hen: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de aarde, en onderwerp haar, en heb heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
29En God zei: Zie, Ik heb u al het zaadzaaiend kruid gegeven, dat op de hele aarde is, en alle geboomte, in dat zaadzaaiend boomvrucht is; het zij u tot voedsel!
30Maar aan al het gedierte van de aarde, en aan al het gevogelte van de hemel, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot voedsel gegeven. En het was zo.
31En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.