Genesis 11
Lees Genesis 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Alle mensen hadden tot dan toe dezelfde taal, vers 1. De mensen beginn uit pure trots een stad met een zeer hoge toren te bouwen, 3. God verhin dert hun werk door de talen te verwarren en verstrooit hen over de wereld, 6. Babel krijgt daarvan zijn naam, 9. De nakomelingen van Sem tot Abram, 10. Abram vertrekt met zijn vader, Sarai en Lot uit Ur van de Chaldeeën naar Haran, 29.
1En de hele aarde was van dezelfde taal en dezelfde woorden.
2Maar het gebeurde, als zij tegen het oosten trokken, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden daar.
3En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons bakstenen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.
4En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, waarvan de top in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de hele aarde verstrooid worden!
5Toen kwam JAHWEH neer, om te bekijken de stad en de toren, die de kinderen van de mensen bouwden.
6En JAHWEH zei: Zie, zij zijn dezelfde volk, en hebben alle dezelfde taal; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?
7Kom aan, laat Ons neervaren, en laat Ons hun taal daar verwarren, opdat ieder de taal van zijn naasten niet hore.
8Zo verstrooide hen JAHWEH van daar over de hele aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.
9Daarom noemde men haar naam Babel; want daar verwarde JAHWEH de taal van de hele aarde, en van daar verstrooide hen JAHWEH over de hele aarde.
10Deze zijn de afstammelingen van Sem: Sem was honderd jaar oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed.
11En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
12En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij verwekte Selah.
13En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
14En Selah leefde dertig jaren, en hij verwekte Heber.
15En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaar, en hij verwekte zonen en dochters.
16En Heber leefde vier en dertig jaren, en verwekte Peleg.
17En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
18En Peleg leefde dertig jaren, en hij verwekte Rehu.
19En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
20En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij verwekte Serug.
21En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
22En Serug leefde dertig jaren, en verwekte Nahor.
23En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
24En Nahor leefde negen en twintig jaren, en verwekte Terah.
25En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
26En Terah leefde zeventig jaren, en verwekte Abram, Nahor en Haran.
27En deze zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot.
28En Haran stierf voor het aangezicht van zijn vader Terah, in het land van zijn geboorte, in Ur van de Chaldeeën.
29En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Saraï, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.
30En Saraï was onvruchtbaar; zij had geen kind.
31En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, van zijn zoon zoon, en Saraï, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
32En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.