BijbelGenesis

Genesis 17

Lees Genesis 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God verschijnt aan Abram en vernieuwt Zijn beloften en het verbond, vers 1. Hij verandert zijn naam Abram in Abraham, 5. Hij stelt de besnijdenis in als teken van het verbond, 9. Hij verandert de naam Sarai in Sarah, met de belofte van een zoon en groot nageslacht uit haar, 15; hierover is Abraham zeer verheugd, maar bidt ook voor Ismaël en krijgt een tijdelijke zegen voor hem, 17. Abraham en alle mannen in zijn huis worden besneden, 23.

1Als nu Abram negen en negentig jaar oud was, zo verscheen JAHWEH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht!

2En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen.

3Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

4Wat mij betreft, zie, Mijn verbond is met u; en u zult tot een vader van menigte van de volken worden!

5En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken.

6En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.

7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun generaties, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.

8En Ik zal u, en uw zaad na u, het land waar u vreemdeling was geven, het hele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.

9Verder zei God tot Abraham: U nu zult Mijn verbond houden, u, en uw zaad na u, in hun generaties.

10Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.

11En u zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.

12Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw generaties: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van alle vreemde, die niet is van uw zaad;

13De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zeker besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in uw vlees, tot een eeuwig verbond.

14En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.

15Nog zei God tot Abraham: U zult de naam van uw huisvrouw Saraï, niet Saraï noemen; maar haar naam zal zijn Sara.

16Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen van de volken zullen uit haar worden!

17Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal één, die honderd jaar oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren?

18En Abraham zei tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!

19En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.

20En voor wat betreft Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;

21Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op deze gezetten tijd in het andere jaar baren zal.

22En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.

23Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de mensen van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees van hun voorhuid, even ten zelfde dage, zoals God met hem gesproken had.

24En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd.

25En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaar oud, als hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd.

26Even op deze zelfde dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon.

27En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen van het huis, en de gekochten met geld, van de vreemde af, werden met hem besneden.