Genesis 19
Lees Genesis 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De twee engelen komen als mannen in Sodom aan en worden door Lot geherbergd en onthaald, vers 1. De Sodomieten omsingelen 's nachts het huis en willen de gasten geweld aandoen, 4. Lot probeert hen vergeefs op andere gedachten te brengen, met gevaar voor zichzelf, 6. De engelen trekken Lot naar binnen en slaan de Sodomieten met blindheid, zodat die het huis moeten verlaten, 10. Lot wordt met zijn vrouw en twee dochters vroeg in de ochtend uit Sodom geleid, met het bevel te vluchten naar het gebergte (zijn schoonzoons doen het af als een grap), 17. Maar Lot smeekt om naar Zoar te mogen vluchten en krijgt dat toegestaan, 18. De vier steden en de hele streek, met bewoners en gewas, worden verwoest met vuur en zwavel uit de hemel, 24. JAHWEH straft Lots vrouw, 26. Abraham kijkt uit over de verwoesting van deze steden, 27. Lot verlaat Zoar en trekt naar het gebergte, waar hij door dronkenschap zonder het te weten door zijn beide dochters wordt misbruikt, 31. Daaruit worden Moab en Ammon geboren, 37.
1En die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
2En hij zei: Zie nu, mijn heren! keer toch in bij het huis van uw knecht, en overnacht, en was uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en verdergaan. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen op de straat overnachten.
3En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
4Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen van die stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het hele volk, van het uiterste einde af.
5En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
6Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;
7En hij zei: Mijn broeders! doe toch geen kwaad!
8Zie toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw van mijn dak ingegaan.
9Toen zeiden zij: Kom verder aan! Verder zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zou hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op de man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.
10Maar die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.
11En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moe werden, om de deur te vinden.
12Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt u hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen, die u hebt in deze stad, breng uit deze plaats;
13Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht van JAHWEH, en JAHWEH ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.
14Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Maak u op, gaat uit deze plaats; want JAHWEH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als liegend.
15En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat u in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt.
16Maar hij bleef; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand van zijn vrouw, en de hand van zijn twee dochters, om de verschoning van JAHWEH over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.
17En het gebeurde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u omwille van uw leven; zie niet achter u om, en sta niet op deze hele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
18En Lot zei tot hen: Nee toch, Heere!
19Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw goedertierenheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
20Zie toch, deze stad is nabij, om daarheen te vluchten, en zij is klein; laat mij toch daarheen behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
21En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt.
22Haast, behoud u daarheen; want Ik zal niets kunnen doen, voordat u daarheen binnengekomen bent. Daarom noemde men de naam van deze stad Zoar.
23De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
24Toen deed JAHWEH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, het uit van JAHWEH de hemel.
25En Hij keerde deze steden om, en die hele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land.
26En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
27En Abraham maakte zich van die morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht van JAHWEH gestaan had.
28En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het hele land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, zoals de rook van een oven.
29En het gebeurde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren van die steden, waarin Lot gewoond had.
30En Lot trok op uit Zoar, en woonde op de berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een grot, hij en zijn twee dochters.
31Toen zei de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze van de hele aarde.
32Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.
33En zij gaven die nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar neerliggen, noch in haar opstaan.
34En het gebeurde op de andere dag, dat de eerstgeborene zei tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook deze nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.
35En zij gaven haar vader ook die nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar neerliggen, noch in haar opstaan.
36En de twee dochters van Lot werden zwanger van haar vader.
37En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.
38En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader van de kinderen Ammons, tot op deze dag.