Genesis 27
Lees Genesis 27 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Izak is oud en slechtziend en wil Ezau als eerstgeborene zegenen, maar wordt door het slimme plan van Rebekka misleid, zodat hij Jakob zegent in plaats van Ezau, vers 1. Ezau komt terug van de jacht, hoort wat er is gebeurd en is hevig ontdaan, net als Izak zelf; toch geeft Izak Ezau op zijn luid smeken en bidden nog een tijdelijke zegen, 30. Hierom haat Ezau zijn broer en neemt zich voor hem te doden, 41. Rebekka hoort dit en raadt Jakob aan te vluchten naar haar broer Laban, en regelt dat Izak daarmee instemt, 42.
1En het gebeurde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn oudste zoon, en zei tot hem: Mijn zoon! En hij zei tot hem: Zie, hier ben ik!
2En hij zei: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet.
3Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een stuk wild;
4En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die graag heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, voordat ik sterf.
5Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een stuk wild te jagen, dat hij het inbracht.
6Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broer, horen spreken, zeggende:
7Breng mij een stuk wild, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht van JAHWEH, voor mijn dood.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in wat ik u gebiede.
9Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, zoals hij graag heeft.
10En u zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.
11Toen zei Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broer Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.
12Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zou ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.
13En zijn moeder zei tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga, haal ze mij.
14Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, zoals zijn vader graag had.
15Daarna nam Rebekka de kostelijke kleren van Ezau, haar grootste zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinste zoon, aan.
16En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.
17En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, die zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon.
18En hij kwam tot zijn vader, en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik; wie bent u, mijn zoon?
19En Jakob zei tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, zoals u tot mij gesproken had; sta toch op, zit, en eet van mijn stuk wild, opdat uw ziel mij zegene.
20Toen zei Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat u het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zei: Omdat JAHWEH uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht.
21En Izak zei tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of u mijn zoon Ezau zelf bent, of niet.
22Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zei: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen.
23Maar hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, zoals van zijn broer Ezau's handen; en hij zegende hem.
24En hij zei: Bent u mijn zoon Ezau zelf? En hij zei: Ik ben het!
25Toen zei hij: Stel het nabij mij, dat ik van het stuk wild van mijn zoon ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.
26En zijn vader Izak zei tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!
27En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijn kleren, en zegende hem; en hij zei: Zie, de reuk van mijn zoon is als de reuk van het veld, dat JAHWEH gezegend heeft.
28Zo geve u dan God van de dauw van de hemel, en de vettigheid van de aarde, en menigte van tarwe en nieuwe wijn.
29Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u neerbuigen; wees heer over uw broers, en de zonen van uw moeder zullen zich voor u neerbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!
30En het gebeurde, als Izak voltooid had Jakob te zegenen, zo gebeurde het, toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broer, van zijn jacht kwam.
31Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zei tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het stuk wild van zijn zoon, opdat uw ziel mij zegene.
32En Izak, zijn vader, zei tot hem: Wie bent u? En hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.
33Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, geheel zeer, en zei: Wie is hij dan, die het stuk wild gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, voordat u kwam, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.
34Als Ezau de woorden van zijn vader hoorde, zo schreeuwde hij met een grote en bitteren schreeuw, geheel zeer; en hij zei tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!
35En hij zei: Uw broer is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.
36Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden?
37Toen antwoordde Izak, en zei tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broers heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koren en nieuwe wijn ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?
38En Ezau zei tot zijn vader: Hebt u maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en huilde.
39Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tot hem: Zie, de vettigheden van de aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw van de hemel van boven af zult u gezegend zijn.
40En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken.
41En Ezau haatte Jakob om die zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had; en Ezau zei in zijn hart: De dagen van de rouw van mijn vader naderen, en ik zal mijn broer Jakob doden.
42Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootste zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinste zoon, en zei tot hem: Zie, uw broer Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.
43Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlucht u naar Haran, tot Laban, mijn broer.
44En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige toorn van uw broer kere;
45Totdat de toorn van uw broer van u afkere, en hij vergeten hebbe, wat u hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zou ik ook van u beiden beroofd worden op één dag?
46En Rebekka zei tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochters van Heth! Als Jakob een vrouw neemt van de dochters van Heth, zoals deze zijn, van de dochters van dit land, waartoe zal mij het leven zijn?