Genesis 29
Lees Genesis 29 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jakob komt in de buurt van Haran en maakt door Gods wonderlijke leiding kennis met Rachel, de dochter van Laban, vers 1, die het aan haar vader gaat vertellen, 12. Laban loopt Jakob tegemoet, brengt hem in huis, hoort alles wat hem overkomen is, en houdt hem bij zich, 13. Zij spreken af dat Jakob zeven jaar zal dienen voor Rachel, 15, maar als hij denkt Rachel te trouwen, wordt hem Lea voorgelegd, Rachels oudere zus, 21. Hij krijgt toch ook Rachel, in ruil voor nog eens zeven jaar dienst, 27. Rachel is geliefd maar onvruchtbaar; Lea daarentegen baart Ruben, Simeon, Levi en Juda, 31.
1Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land van de kinderen van het Oosten.
2En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen naast die neerliggende; want uit die put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op de mond van die put.
3En daarheen werden al de kudden verzameld, en zij wentelden de steen van de mond van de put, en drenkten de schapen, en legden de steen weer op de mond van die put, op zijn plaats.
4Toen zei Jakob tot hen: Mijn broeders! vanwaar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
5En hij zei tot hen: Kent u Laban, de zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.
6Verder zei hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
7En hij zei: Zie, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld wordt; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt die.
8Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, voordat al de kudden samen zullen verzameld zijn, en dat men de steen van de mond van de put afwentele, opdat wij de schapen drenken.
9Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.
10En het gebeurde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broer, en de schapen van Laban, zijn moeders broer, dat Jakob toetrad, en wentelde de steen van de mond van de put, en gaf de schapen van Laban, zijn moeders broer, te drinken.
11En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en huilde.
12En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broer van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.
13En het gebeurde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijn zussen zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.
14Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
15Daarna zei Laban tot Jakob: Omdat u mijn broer bent, zou u mij daarom om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?
16En Laban had twee dochters: de naam van de grootste was Lea; en de naam van de kleinste was Rachel.
17Maar Lea had tedere ogen; maar Rachel was mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk.
18En Jakob had Rachel lief; en hij zei: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.
19Toen zei Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een andere man geve; blijf bij mij.
20Zo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.
21Toen zei Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.
22Zo verzamelde Laban al de mannen van die plaats, en maakte een maaltijd.
23En het gebeurde van de avond, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.
24En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.
25En het gebeurde van de morgen, en ziet, het was Lea. Daarom zei hij tot Laban: Wat is dit, dat u mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt u mij dan bedrogen?
26En Laban zei: Men doet zo niet op deze plaats van ons, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene.
27Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor de dienst, die u nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.
28En Jakob deed zo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.
29En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.
30En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.
31Toen nu JAHWEH zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.
32En Lea werd zwanger, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat JAHWEH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.
33En zij werd opnieuw zwanger, en baarde een zoon, en zei: Omdat JAHWEH gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook deze gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.
34En zij werd nog zwanger, en baarde een zoon, en zei: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.
35En zij werd opnieuw zwanger, en baarde een zoon, en zei: Ditmaal zal ik JAHWEH loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.