Genesis 35
Lees Genesis 35 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jakob zuivert zijn huis en bereidt het voor op de godsdienst, waarna hij op Gods bevel naar Bethel vertrekt, vers 1. Daar aangekomen zonder schade bouwt hij een altaar, 6. Dood en begrafenis van Debora, de voedster van Rebekka, 8. God verschijnt aan Jakob, geeft hem opnieuw de naam Israël en hernieuwt Zijn beloften, 9. Jakob richt daarop een gedenkteken op en geeft de plaats een naam, 14. Bij het vertrek vandaar sterft Rachel tijdens de bevalling van Benjamin en wordt daar begraven, 16. Ruben pleegt overspel in het huis van zijn vader, 22. Opsomming van Jakobs zonen, 23. Jakob komt ten slotte bij zijn vader Izak, die sterft en door hem en Ezau begraven wordt, 27.
1Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar die God, Die u verscheen, toen u vluchtte voor het aangezicht van uw broer Ezau.
2Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doe weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinig u, en verander uw kleren;
3En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken die God, Die mij antwoordt op de dag van mijn benauwdheid, en met mij geweest is op de weg, die ik gewandeld heb.
4Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder de eikeboom, die bij Sichem is.
5En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
6Zo kwam Jakob te Luz, dat is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.
7En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor van zijn broer aangezicht vluchtte.
8En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder die eik, waarvan hij de naam noemde Allon-bachuth.
9En God verscheen Jakob opnieuw, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.
10En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
11Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw middel voortkomen.
12En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.
13Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
14En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.
15En Jakob noemde de naam van die plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el.
16En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
17En het gebeurde, als zij het hard had in haar baren, zo zei de verloskundige tot haar: Vrees niet; want deze zoon zult u ook hebben!
18En het gebeurde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
19Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem.
20En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op deze dag.
21Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent aan de overzijde van Migdal-eder.
22En het gebeurde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.
23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
26En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram.
27En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, dat is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
28En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.
29En Izak gaf de geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en verzadigd van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.