BijbelGenesis

Genesis 36

Lees Genesis 36 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Ezaus vrouwen en kin deren, geboren in Kanaän, vers 1-2. Zijn vertrek naar Seir, 6. Zijn nakomelingen, 9, en ook die van Seir de Horiet, 20. Onder dezen is Ana, die als eerste muilezelteelt heeft bedreven, 21. Lijst van de koningen en vorsten in Edom, 31.

1Dit nu zijn de afstammelingen van Ezau, die is Edom.

2Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;

3En Basmath, de dochter van Ismaël, zus van Nebajoth.

4Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël.

5En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän.

6Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen van zijn huize, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob.

7Want hun bezittingen was te veel, om samen te wonen; en het land waar zij vreemdeling waren kon ze niet dragen vanwege hun vee.

8Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom.

9Dit nu zijn de afstammelingen van Ezau, de vader van de Edomieten, op het gebergte van Seïr.

10Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw.

11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.

12En Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.

13En dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.

14En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaëlam, en Korah.

15Dit zijn de vorsten van de zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.

16De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.

17En dit zijn de zonen van Rehuël, de zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuël in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.

18En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jaëlam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau.

19Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hun vorsten; hij is Edom.

20Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,

21En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten van de Horieten, zonen van Seïr, in het land van Edom.

22En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zus was Timna.

23En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.

24En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.

25En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de dochter van Ana.

26En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.

27Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.

28Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.

29Dit zijn de vorsten van de Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana.

30De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten van de Horieten, naar hun vorsten in het land Seïr.

31En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de Israëlieten.

32Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam van zijn stad was Dinhaba.

33En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.

34En Jobab stierf, en Husam, uit van de Temanieten land, regeerde in zijn plaats.

35En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam van zijn stad was Avith.

36En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

37En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

38En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

39En Baäl-hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam van zijn stad was Pahu; en de naam van zijn huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab.

40En dit zijn de namen van de vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,

41De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,

42De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar,

43De vorst Magdiel, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hun woningen, in het land van hun bezitting; hij is Ezau, de vader van Edom.