Genesis 38
Lees Genesis 38 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Juda trouwt een Kananitische vrouw, die hem drie zonen baart, vers 1. Hij geeft de eerste aan Tamar; nadat die door God gedood is, ook de tweede. Als ook die door God gedood wordt, belooft hij haar de derde, 6. Omdat hij zijn belofte niet nakomt, pleegt Tamar door een list overspel met Juda, 13. Zij ontkomt aan de straf dankzij hem, 24, en baart hem twee zonen, Perez en Zerah, als tweeling, 27.
1En het gebeurde ten zelf tijde, dat Juda van zijn broers aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, van wie de naam Hira was.
2En Juda zag daar de dochter van een Kanaänietisch man, van wie de naam Sua was; en hij nam haar, en ging tot haar in.
3En zij werd zwanger, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.
4Daarna werd zij weer zwanger, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan.
5En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; maar hij was te Chezib, toen zij hem baarde.
6Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.
7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van JAHWEH; daarom doodde hem JAHWEH.
8Toen zei Juda tot Onan: Ga in tot de vrouw van uw broer, en trouw haar in de naam van uw broer, en verwek uw broer zaad.
9Maar Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zou zijn, zo gebeurde het, als hij tot de huisvrouw van zijn broer inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broer geen zaad te geven.
10En het was kwaad in de ogen van JAHWEH, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.
11Toen zei Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in het huis van uw vader, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zei: Dat niet misschien ook deze sterve, zoals zijn broers! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.
12Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.
13En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.
14Toen legde zij de kleren van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven.
15Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had.
16En hij week tot haar naar de weg, en zei: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, dat u tot mij ingaat?
17En hij zei: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zei: Zo u pand zult geven, totdat u hem zendt.
18Toen zei hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zei: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; dat hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.
19En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trok aan de kleren van haar weduwschap.
20En Juda zond de geitenbok door de hand van zijn vriend, de Adullamiet, om het pand uit de hand van de vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.
21En hij vroeg de mensen van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan de weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.
22En hij keerde weer tot Juda, en zei: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de mensen van die plaats: Hier is geen hoer geweest.
23Toen zei Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar u hebt haar niet gevonden.
24En het gebeurde ongeveer na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zei Juda: Breng haar naar buiten, dat zij verbrand worde!
25Als zij voorgebracht werd, stelde op zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij de man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zei: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.
26En Juda kende ze, en zei: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.
27En het gebeurde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
28En het gebeurde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de verloskundige nam die, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.
29Maar het gebeurde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.
30En daarna kwam zijn broer uit, om wie de hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.