BijbelGenesis

Genesis 39

Lees Genesis 39 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Jozef wordt in zijn dienst bij Potifar zozeer door God gezegend, dat zijn heer hem over het hele huishouden aanstelt, vers 2. De vrouw van zijn heer raakt vanwege zijn schoonheid op hem verliefd en probeert hem tot ontucht te verleiden; hij weigert standvastig. Zij klaagt hem vals aan, eerst bij het huispersoneel, daarna bij haar man, die hem in de gevangenis laat zetten, 13. Ook daar is God met Jozef, zodat hij de leiding over de gevangenis krijgt, 20.

1Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste van de lijfwachten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden.

2En JAHWEH was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.

3Als nu zijn heer zag, dat JAHWEH met hem was, en dat JAHWEH al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;

4Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.

5En het gebeurde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat JAHWEH het huis van de Egyptenaar zegende, omwille van Jozef; ja, de zegen van JAHWEH was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.

6En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk.

7En het gebeurde na deze dingen, dat de huisvrouw van zijn heer haar ogen op Jozef wierp; en zij zei: lig bij mij!

8Maar hij weigerde het, en zei tot de huisvrouw van zijn heer: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.

9Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat u zijn huisvrouw bent; hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!

10En het gebeurde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;

11Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de mensen van de huize was daar binnenshuis.

12En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.

13En het gebeurde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;

14Zo riep zij de mensen van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Zie, hij heeft ons de Hebreeuwse man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luide stem;

15En het gebeurde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.

16En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.

17Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, die u ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.

18En het is gebeurd, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.

19En het gebeurde, als zijn heer de woorden van zijn huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.

20En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in de gevangenis, ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; zo was hij daar in de gevangenis.

21Maar JAHWEH was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van de overste van de gevangenis.

22En de overste van de gevangenis gaf al de gevangenen, die in de gevangenis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.

23De overste van de gevangenis zag geheel op geen ding, dat in zijn hand was, omdat dat JAHWEH met hem was; en wat hij deed, dat deed JAHWEH wel strekken.