Genesis 4
Lees Genesis 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Kain en Abel worden geboren, vers 1. Zij brengen beiden een offer, maar Abels offer is JAHWEH welgevallig, 3, waarover Kain woedend wordt en door God bestraft wordt, 5. Hij doodt zijn broer, 8, wordt daarover door God ter verantwoording geroepen en ontvangt zijn vonnis, 9, gaat ronddolen van Gods aangezicht, bouwt een stad en krijgt kin deren, 16. Lamech neemt twee vrouwen en krijgt kin deren, 19, en spreekt trots en aanmatigend, 23. Seth en Enos worden geboren, en de openbare godsdienst wordt hersteld, 25.
1En Adam had gemeenschap met Eva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van JAHWEH verkregen!
2En zij voer voort te baren zijn broer Abel; en Abel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.
3En het gebeurde na verloop van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land JAHWEH offer bracht.
4En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En JAHWEH zag Abel en zijn offer aan;
5Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
6En JAHWEH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
7Is er niet, als u weldoet, verhoging? en zo u niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en u zult over hem heersen.
8En Kaïn sprak met zijn broer Abel; en het gebeurde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broer Abel opstond, en sloeg hem dood.
9En JAHWEH zei tot Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik van mijn broer hoeder?
10En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
11En nu bent u vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om van uw broer bloed van uw hand te ontvangen.
12Als u de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; u zult zwervende en dolende zijn op aarde.
13En Kaïn zei tot JAHWEH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven wordt.
14Zie, U hebt mij vandaag verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal gebeuren, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15Maar JAHWEH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En JAHWEH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
16En Kaïn ging uit van het aangezicht van JAHWEH; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
17En Kaïn had gemeenschap met zijn huisvrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.
18En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujael; en Mechujael verwekte Methusael; en Methusael verwekte Lamech.
19En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.
20En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader van hen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
21En de naam van zijn broer was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
22En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, een leermeester van alle werker in koper en ijzer; en de zus van Tubal-Kaïn was Naema.
23En Lamech zei tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoor mijn stem, u vrouwen van Lamech! neem ter ore mijn rede! Werkelijk, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!
24Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
25En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
26En die Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van JAHWEH aan te roepen.