Genesis 43
Lees Genesis 43 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jakob laat vanwege de hongersnood en door de onwil van zijn zonen, maar ook door de krachtige pleitrede van Juda, uitein delijk Benjamin met hen meereizen naar Egypte, met geschenken voor de onderkoning en dubbel geld, vers 1. Jozef ziet Benjamin bij hen en laat hen in zijn huis brengen; zij worden bang dat het om het teruggevonden geld zou gaan, en verontschuldigen zich bij Jozefs huismeester, die hen geruststelt, 16. Zij bereiden de geschenken en bieden die Jozef aan; hij spreekt vriendelijk met hen, in het bijzonder met Benjamin, en is daardoor zo ontroerd dat hij zich moet terugtrekken om te huilen. Daarna onthaalt hij hen met een overvloedige maaltijd, waarbij Benjamin extra wordt bedeeld, 25.
1De honger nu werd zwaar in dat land;
2Zo gebeurde het, als zij de leeftocht, die zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zei: Keer opnieuw, koop ons wat voedsel.
3Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is.
4Als u onze broer met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u voedsel kopen;
5Maar als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is.
6En Israël zei: Waarom hebt u zo kwalijk aan mij gedaan, dat u die man te kennen gaf, of u nog een broer had?
7En zij zeiden: Die man vroeg zeer nauw naar ons, en naar onze familie, zeggende: Leef uw vader nog; hebt u nog een broer? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Breng uw broer af?
8Toen zei Juda tot Israël, zijn vader: Zend de jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch u, noch onze kinderen.
9Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!
10Want hadden wij niet gezuimd, werkelijk, wij waren alreeds tweemaal teruggekomen.
11Toen zei Israël, hun vader, tot hen: Is het nu zo, zo doet dit; neem van het loffelijkste van dit land in uw zakken, en breng die man een geschenk heen af: een weinig balsem, en een weinig honing, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.
12En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, dat in de mond van uw zakken teruggekeerd is, weer in uw hand; misschien is het een fout.
13Neem ook uw broer mee, en maakt u op, keer weer tot die man.
14En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw andere broer en Benjamin met u late gaan! En wat mij betreft, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd!
15En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en trokken af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht.
16Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zei hij tot degene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten.
17De man nu deed, zoals Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef.
18Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Vanwege het geld, dat in het begin in onze zakken teruggekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezels.
19Daarom naderden zij tot die man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis.
20En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin zeker afgekomen, om voedsel te kopen.
21Het is nu gebeurd, als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders geld boven in zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben het teruggebracht in onze hand.
22Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om voedsel te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.
23En hij zei: Vrede zij u, vreest niet! Uw God en de God van uw vader heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit.
24Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wasten hun voeten; hij gaf ook aan hun ezels voer.
25En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op de middag; want zij hadden gehoord, dat zij daar brood eten zouden.
26Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, dat in hun hand was, in het huis, en zij bogen zich voor hem ter aarde.
27En hij vroeg hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zei? Leeft hij nog?
28En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onze vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neer.
29En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: Is dit uw kleinste broer, waarvan u tot mij zei? Daarna zei hij: Mijn zoon? God zij u genadig!
30En Jozef haastte zich; want zijn binnenste ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te huilen; en hij ging in een kamer, en huilde daar.
31Daarna waste hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelf, en zei: Zet brood op.
32En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat dat de Egyptenaren een gruwel is.
33En zij aten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en de jongere naar zijn jeugd; daarom verwonderden zich de mannen onder elkaar.
34En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen alle. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.