BijbelGenesis

Genesis 45

Lees Genesis 45 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Jozef maakt zich ein delijk aan zijn broers bekend en troost hen met Gods wonderlijke voorzienigheid. Hij draagt hun op alles aan hun vader te melden en hem naar Egypte te brengen, vers 1. Ook de farao moedigt dit aan, 16. Jozef stuurt hen weg met wagens, proviand en geschenken, vooral voor zijn vader, en geeft hun een goede raad mee, 21. Thuis vertellen zij alles aan hun vader, die het uitein delijk gelooft en zich met grote vreugde klaarmaakt voor de reis, 25.

1Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doe alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broers bekend maakte.

2En hij verhief zijn stem met huilen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao's huis hoorde.

3En Jozef zei tot zijn broers: Ik ben Jozef! leef mijn vader nog? En zijn broers konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.

4En Jozef zei tot zijn broers: Nader toch tot mij! En zij naderden. Toen zei hij: Ik ben Jozef, uw broer, die u naar Egypte verkocht hebt.

5Maar nu, wees niet bezorgd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven.

6Want het zijn nu twee jaren van de honger in het midden van het land; en er zijn nog vijf jaren, waarin geen ploeging noch oogst zijn zal.

7Maar God heeft mij voor uw aangezicht heen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.

8Nu dan, u hebt mij hierheen niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn hele huis, en regeerder in het hele land van Egypte.

9Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over geheel Egypteland gesteld; kom af tot mij, en wacht niet langer.

10En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt.

11En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt!

12En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt.

13En boodschap mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat u gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader hierheen.

14En hij viel aan de hals van Benjamin, zijn broer, en huilde; en Benjamin huilde aan zijn hals.

15En hij kuste al zijn broers, en hij huilde over hen; en daarna spraken zijn broers met hem.

16Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zei: Jozefs broers zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten.

17En Farao zei tot Jozef: Zeg tot uw broers: Doe dit, laad uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;

18En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en u zult het vette van deze land eten.

19U bent toch bevolen: doe dit, neemt u uit Egypteland wagens voor uw kinderen, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.

20En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van geheel Egypteland, dat zal het uwe zijn.

21En de zonen van Israël deden zo. Zo gaf Jozef hun wagens, naar Farao's bevel; ook gaf hij hun proviant op de weg.

22Hij gaf hun alle, ieder één, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.

23En zijn vader evenzo zond hij tien ezels, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en voedsel voor zijn vader op de weg.

24En hij zond zijn broers heen; en zij vertrokken; en hij zei tot hen: Verstoort u niet op de weg.

25En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaän tot hun vader Jakob.

26Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in geheel Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.

27Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.

28En Israël zei: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, voordat ik sterf!