BijbelGenesis

Genesis 49

Lees Genesis 49 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Jakob roept zijn zonen bijeen om hen voor zijn dood te zegenen, vers 1. Hij bestraft eerst de schandelijke daden van Ruben, Simeon en Levi, 3. Daarna prijst hij uitvoerig de grootheid van Juda, met een profetie over de tijd van de geboorte van Jezus Christus (naar het vlees) uit hem, Zijn Koninkrijk en de roeping van de heidenen, 8. Van Zebulon, 13. Issaschar, 14. Dan, 16. Gad, 19. Aser, 20. Naftali, 21. De bijzondere zegen over Jozef, 22. Van Benjamin, 27. Ten slotte geeft Jakob opdracht over de plaats van zijn begrafenis, 29, en sterft, 33.

1Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamel u, en ik zal u verkondigen, wat u in de navolgende dagen overkomen zal.

2Kom samen en hoort, u, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader.

3Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin van mijn macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!

4Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt het bed van uw vader beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!

5Simeon en Levi zijn gebroers! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!

6Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.

7Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun toorn, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.

8Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich de zonen van uw vader neerbuigen.

9Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neer als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?

10De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Die zullen de volken gehoorzaam zijn.

11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.

12Hij is roodachtig van ogen door de wijn, en wit van tanden door de melk.

13Zebulon zal aan de haven van de zeeën wonen, en hij zal aan de haven van de schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.

14Issaschar is een sterk gebeende ezel, neerliggende tussen twee pakken.

15Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder belasting.

16Dan zal zijn volk richten, als één van de stammen van Israël.

17Dan zal een slang zijn aan de weg, een adderslang naast het pad, bijtende van het paard hiel, dat zijn rijder achterover valle.

18Op uw zaligheid wacht ik, JAHWEH!

19Voor wat betreft Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.

20Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

21Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

22Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk van de takken loopt over de muur.

23De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;

24Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige van Jakob; daarvan is hij een herder, een steen van Israël;

25Van de God van uw vader, Die u zal helpen, en van de Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen van de hemel van boven, met zegeningen van de afgrond, die daaronder ligt, met zegeningen van de borsten en van de baarmoeder!

26De zegeningen van uw vader gaan te boven de zegeningen van mijn voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderden zijn broers!

27Benjamin zal als een wolf verscheuren; van de morgen zal hij roof eten, en van de avond zal hij buit uitdelen.

28Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, ieder met zijn eigen zegen.

29Daarna gebood hij hun, en zei tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaf mij bij mijn vaders, in de grot, die is in de akker van Efron, de Hethiet;

30In de grot, die is op de akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, tot een erfbegrafenis.

31Daar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.

32De akker, en de grot, die daarin is, is gekocht van de zonen van Heth.

33Als Jakob voltooid had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf de geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.