Genesis 50
Lees Genesis 50 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jozef beweent zijn vader en laat hem balsemen, vers 1. Nadat de Egyptearen hem hebben beweend, brengt Jozef hem met toestemming van de farao en met een statig gevolg naar Kanaän, 4, waar hij na een groot rouwbeklag wordt begraven in Abrahams grafstede, 10. Na terugkeer in Egypte smeken Jozefs broers hem nederig om vergeving, 14. Jozefs ouderdom en nakomelingen tot in het derde en vierde geslacht, 22. Hij bemoedigt zijn broers en laat hen zweren zijn beenderen mee te nemen als zij het land verlaten; hij sterft en wordt gebalsemd, 24.
1Toen viel Jozef op van zijn vader aangezicht, en hij huilde over hem, en kuste hem.
2En Jozef gebood zijn knechten, de dokters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de dokters balsemden Israël.
3En veertig dagen werden aan hem vervuld; want zo werden vervuld de dagen van hen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.
4Als nu de dagen van zijn bewenen over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:
5Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik terugkomen.
6En Farao zei: Trek op en begraaf uw vader, zoals hij u heeft doen zweren.
7En Jozef trok op, om zijn vader te begraven; en met hem trokken op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten van het land van Egypte;
8Daartoe het hele huis van Jozef, en zijn broers, en het huis van zijn vader; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.
9En met hem trokken op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer zware leger.
10Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan de overzijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware klaagzang; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.
11Als de inwoners van het land, de Kanaänieten, die rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw van de Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan de doorwaadbare plaats van de Jordaan is.
12En zijn zonen deden hem, zoals hij hun geboden had;
13Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de grot van de akker van Machpela, die Abraham met de akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, de Hethiet, tegenover Mamre.
14Daarna keerde Jozef weer in Egypte, hij en zijn broers, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.
15Toen Jozefs broers zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons zeker vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.
16Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:
17Zo zult u tot Jozef zeggen: Och, vergeef toch de overtreding van uw broers, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God van uw vader! En Jozef huilde, als zij tot hem spraken.
18Daarna kwamen ook zijn broers, en vielen voor hem neer, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!
19En Jozef zei tot hen: Vrees niet; want ben ik in de plaats van God?
20U wel, u hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, zoals het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden.
21Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.
22Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis van zijn vader; en Jozef leefde honderd en tien jaren.
23En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.
24En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u zeker bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
25En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u zeker bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren!
26En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte.