BijbelGenesis

Genesis 6

Lees Genesis 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Algemene losbandigheid en grote slechtheid van de mensen leiden, na een uitstel van 120 jaar, tot de Zondvloed, vers 2. Reuzen, 4. Noach vindt genade bij God en ontvangt het bevel en de aanwijzingen voor het bouwen van de ark, 8, 14. Gods verbond met Noach, 18. Het bevel om allerlei dieren en voedselvoorraad in de ark te laden, 19.

1En het gebeurde, als de mensen op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,

2Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.

3Toen zei JAHWEH: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook vlees is; maar zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.

4In die dagen waren er Nephilim op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.

5En JAHWEH zag, dat de boosheid van de mens veelvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten van zijn hart altijd alleen boos was.

6Toen berouwde JAHWEH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.

7En JAHWEH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, vernietigen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.

8Maar Noach vond genade in de ogen van JAHWEH.

9Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn generaties. Noach wandelde met God.

10En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

11Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.

12Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.

13Daarom zei God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.

14Maak u een ark van goferhout; met kamers zult u deze ark maken; en u zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.

15En zo is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.

16U zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een el van boven; en de deur van de ark zult u in haar zijde zetten; u zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.

17Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest van het leven is, van onder de hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal de geest geven.

18Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en u zult in de ark gaan, u, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen van uw zonen met u.

19En u zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en vrouwtje zullen zij zijn;

20Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.

21En u, neem voor u van alle voedsel, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot voedsel zij.

22En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.