Habakuk 1
Lees Habakuk 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Klacht van de profeet over de grote boosheid en ongerechtigheid van het Joodse volk, vers 2. Hij kondigt aan dat vanwege zulke zonden de Chaldeeën met grote macht en snelheid over hen komen, en alles verwoesten zouden, vers 5. Hij bidt de HEERE, dat Hij toch de vijanden, die zwaarder dan de Joden gezondigd hadden, hun moedwil niet laat volbrengen, maar veeleer henzelf wil straffen, 12, enz.
1De last, die Habakuk, de profeet, gezien heeft.
2JAHWEH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en U verlost niet!
3Waarom laat U mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en er ontstaat ruzie.
4Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt de rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.
5Zie onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want Ik werk een werk in uw dagen, dat u niet geloven zult, als het verteld zal worden.
6Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten van de aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn.
7Schrikkelijk en vreselijk is het; zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelf uit.
8Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een adelaar, zich spoedende om te eten.
9Het zal geheel tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.
10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof verzamelen, en hij zal ze innemen.
11Dan zal hij de geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
12Bent U niet van ouds af JAHWEH, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o JAHWEH! tot een oordeel hebt U hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt U hem gegrondvest.
13U bent te rein van ogen, dan dat U het kwade zou zien, en de kwelling kunt U niet aanschouwen; waarom zou U aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zou U zwijgen, als de goddeloze die verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
14En waarom zou U de mensen maken, als de vissen van de zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?
15Hij trekt ze allen met de angel op, hij verzamelt ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.
16Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want daardoor is zijn deel vet geworden, en zijn voedsel smoutig.
17Zal hij dan daarom altijd zijn garen leeg maken, en zal hij niet sparen, met altijd de volken te doden?