Habakuk 2
Lees Habakuk 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet antwoordt, nadat hij na zijn voorgaande gebed en klacht had afgewacht, vers 1. De HEERE gebiedt hem dat hij de profetie van de ondergang der Chaldeeën aan het Joodse volk duidelijk voor ogen zou stellen, dat die zeker vervuld zou worden, maar dat men dat met geduld moest afwachten, 4. Wat in de daaropvolgende verzen uitvoeriger verklaard wordt, 7, enz., vanwege hun hoogmoed, gierigheid, tirannie, gulzigheid, bloeddorstigheid en afgoderij.
1Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de vesting, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
2Toen antwoordde mij JAHWEH, en zei: Schrijf het visioen, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.
3Want het visioen zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij wacht, verwacht Hem, want Hij zal zeker komen, Hij zal niet achterblijven.
4Zie, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
5En ook omdat hij trouweloos handelt bij de wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet verzadigd wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en verzamelt tot zich alle volken.
6Zouden dan niet zij allen van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging van de raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee die, die vermeerdert wat het zijne niet is (hoe lange!), en die, die op zich laadt dik slijk.
7Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult u hun niet tot plundering worden?
8Omdat u vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed van de mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners daarvan.
9Wee die, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand van het kwaad.
10U hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt u gezondigd tegen uw ziel.
11Want de steen uit de muur roept, en de balk uit het hout antwoordt die.
12Wee die, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!
13Zie, is het niet van JAHWEH van de legermachten, dat de volken arbeiden ten vure, en de mensen zich vermoeien tevergeefs?
14Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid van JAHWEH bekennen, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken.
15Wee die, die zijn naaste te drinken geeft, u, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat u hun naaktheden aanschouwt.
16U zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drink u ook, en ontbloot de voorhuid; de beker van de rechterhand van JAHWEH zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
17Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting van de beesten zal ze verschrikken, vanwege het bloed van de mensen, en van het geweld in het land, de stad en aan alle inwoners daarvan.
18Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, dat een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?
19Wee die, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot de zwijgenden steen. Zou het leren? Zie, het is met goud en zilver overtrokken, en er is geheel geen geest in het midden daarvan.
20Maar JAHWEH is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, u hele aarde!