BijbelHabakuk

Habakuk 3

Lees Habakuk 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Habakuk bidt de HEERE, dat Hij zijn volk wil bewaren in de Babylonische gevangenschap, vers 1, enz. Tot versterking van zijn eigen geloof en dat van het volk verhaalt hij hoe krachtig God zijn volk heeft beschermd, toen Hij het uit Egypte door de woestijn geleid heeft, vers 3. Verder verhaalt hij hoezeer hij verschrikt is geweest, toen hij vernam dat Jeruzalem verwoest zou worden, 16. Maar hij troost zichzelf weer door de overweging van de hulp van God de Almachtige.

1Een gebed van Habakuk, de profeet, op Sjigjonoth.

2JAHWEH! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o JAHWEH! behoud dat in het leven in het midden van de jaren, maak het bekend in het midden van de jaren; in de toorn gedenk de ontferming.

3God kwam van Theman, en de Heilige van de berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof.

4En er was een glans als van het licht, Hij had hoornen aan Zijn hand, en daar was Zijn sterkte verborgen.

5Voor Zijn aangezicht ging de pest, en de vurige kool ging voor Zijn voeten heen.

6Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de aloude bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn van Hem.

7Ik zag de tenten van Kusan onder de zinloosheid; de gordijnen van het land van Midian schudden.

8Was JAHWEH ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw toorn tegen de zee, toen U op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.

9De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. U hebt de rivieren van de aarde gekloofd.

10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.

11De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarheen, met glans Uw bliksemende speer.

12Met toorn tradt U door het land, met toorn dorstet U de heidenen.

13U toogt uit tot verlossing van Uw volk, tot verlossing met Uw Gezalfde; U doorwondde het hoofd van het huis van de goddelozen, ontblotende de grond tot de hals toe. Sela.

14U doorboorde met zijn staven het hoofd van zijn dorplieden; zij hebben gestormd, om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij de ellendigen in het verborgen zouden opeten.

15U betradt met Uw paarden de zee; de geweldige wateren werden één hoop.

16Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zeker, ik zal rusten op de dag van de benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.

17Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk van de olijfboom liegen zal, en de velden geen voedsel voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;

18Zo zal ik toch in JAHWEH van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God van mijn heil.

19De Adonai JAHWEH is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als van de hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor de opperzangmeester op mijn Neginoth.