Haggaï 1
Lees Haggaï 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet bestraft de vorst en het volk te Jeruzalem, omdat zij in mooie huizen woonden, maar de tempel van de Heere onopgebouwd lieten liggen, vers 1 enzovoort. Hij zegt dat God de Heere vanwege deze nalatigheid hun bezigheden in andere zaken niet zegende, 5. Daarom vermaant hij hen de stilgelegde bouw van de tempel te hervatten en te voltooien, 7. Deze vermaning wordt ter harte genomen, 12.
1In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van JAHWEH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende:
2Zo spreekt JAHWEH van de legermachten zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat het huis van JAHWEH gebouwd wordt.
3En het woord van JAHWEH kwam door de dienst van de profeet Haggai, zeggende:
4Is het voor u wel de tijd, dat u woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
5Nu dan, zo zegt JAHWEH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen.
6U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorde beurs.
7Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen.
8Klim op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt JAHWEH.
9U ziet om naar veel, maar ziet, u bekomt weinig; en als u het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt JAHWEH van de legermachten; vanwege Mijn huis, dat woest is, en dat u loopt elk voor zijn eigen huis.
10Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.
11Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de nieuwe wijn, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over alle arbeid van de handen.
12Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel van het volk, naar de stem van JAHWEH, hun God, en naar de woorden van de profeet Haggai, zoals hem JAHWEH, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht van JAHWEH.
13Toen sprak Haggai, de bode van JAHWEH, in de boodschap van JAHWEH, tot het volk, zeggende: Ik ben met u, spreekt JAHWEH.
14En JAHWEH verwekte de geest van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en de geest van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van het hele overblijfsel van het volk; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van JAHWEH van de legermachten, hun God.