Handelingen
Nieuwe Testament · 28 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Zoals de vier evangelisten in hun evangeliën de geboorte, het leven, het lijden, de dood, de opstanding en de hemelvaart van de Heere Jezus Christus beschrijven, zo wordt in dit boek verder beschreven hoe zijn apostelen na de hemelvaart van Christus de evangelische leer overal in de wereld verbreid hebben, en uit Joden en heidenen de gemeente bijeenbrachten; en in het bijzonder wordt beschreven wat de twee voornaamste apostelen, Petrus en Paulus, daartoe gedaan hebben. Lukas beschrijft dan, na de voorrede, wanneer en hoe Christus ten hemel is opgevaren, en dat Matthias door het lot gekozen is tot apostel in de plaats van de verrader Judas, die zich verhangen had (hoofdstuk 1). Daarna hoe de Heilige Geest in de gedaante van verdeelde vurige tongen, met een sterke voortgedreven wind, op de apostelen gekomen is, en dat zij in verschillende talen spraken, wat sommigen lasterden door te zeggen dat zij vol zoete wijn waren; waartegen Petrus zich met grote vrijmoedigheid verantwoordt en leert dat dit gebeurd was overeenkomstig de voorzeggingen van de profeten, en uit de Psalmen bewijst dat Christus uit de doden moest opstaan en ten hemel opvaren, waardoor ongeveer drieduizend mensen bekeerd en gedoopt worden. Hij beschrijft ook de toestand van de eerste kerk (hoofdstuk 2). Dat Petrus en Johannes een man die van zijn geboorte af verlamd was en bij de tempelpoort zat, genezen hebben; en toen het volk zich daarover verwonderde, heeft Petrus hun uitgelegd dat dit gebeurd was door de kracht van Christus, die zij vermoord hadden, en hen vermaand zich te bekeren en in hem te geloven (hoofdstuk 3). Dat de priesters en sadduceeën Petrus en Johannes daarover gevangengenomen en voor de Raad gesteld hebben, voor wie Petrus hun daad verantwoordde; zij verwonderden zich en geboden hun in de naam van Christus niet meer te prediken, wat zij weigeren te doen; dat de gemeente voor hen bidt, en haar eenheid en onderlinge liefde wordt beschreven, zozeer dat zij voor het onderhoud van de armen ook hun huizen en landerijen verkochten (hoofdstuk 4). Toen Ananias en Saffira, zijn vrouw, dit huichelachtig deden en een deel van het geld achterhielden, worden zij daarover door Petrus met een plotselinge dood gestraft; dat door de apostelen veel wonderwerken gedaan werden, vooral in het genezen van zieken, waarover de hogepriester en de sadduceeën hen in de gevangenis hebben geworpen, waaruit zij door een engel verlost worden en in de tempel prediken; toen dit aan de hogepriester gemeld werd, laat hij hen voor de Raad halen, en nadat hij hen bestraft had, beraadslaagden zij om hen te doden, maar dat werd hun door Gamaliël afgeraden, en zij worden na geseling vrijgelaten met het verbod nog te prediken, dat zij niet nakomen (hoofdstuk 5). Dat er, omdat de Griekssprekenden klaagden, tot ontlasting van de apostelen zes diakenen gekozen zijn om de tafels en de armen te bedienen, onder wie Stefanus er een was. Omdat hij grote wonderwerken deed en zij die tegen hem redetwistten hem niet konden weerstaan, wordt hij voor de Raad met valse getuigen beschuldigd dat hij godslasterlijk sprak tegen de wet (hoofdstuk 6). Dat Stefanus zich voor de Raad verantwoord heeft door kort de geschiedenissen van het Oude Testament te verhalen, van Abraham af tot Salomo toe, en hen te bestraffen over hun hardnekkigheid, waarom zij hem ter dood stenigen (hoofdstuk 7). Dat er tegen de gemeente van Jeruzalem een grote vervolging ontstond, waarom velen naar Samaria vluchten, waar Filippus het Evangelie predikt en veel wonderen doet, waardoor velen bekeerd en gedoopt werden; daarom zenden de apostelen Petrus en Johannes daarheen, die hun de Heilige Geest geven; dat Simon de tovenaar daar ook gedoopt is en de gaven van de Heilige Geest met geld van Petrus probeert te kopen, die dat weigert en zijn huichelarij aan het licht brengt en bestraft; dat de kamerheer van Candace, de koningin van Ethiopië, door Filippus bekeerd en gedoopt wordt (hoofdstuk 8). Dat Saulus de gemeente vervolgt, en op de weg naar Damascus door een verschijning bekeerd wordt, drie dagen met blindheid geslagen wordt, door Ananias gedoopt en tot apostel van Christus geroepen wordt; in Damascus het Evangelie predikt, waar de Joden hem belagen om hem te doden, maar waaraan hij ontkomt doordat hij in een mand langs de stadsmuur wordt neergelaten; dat de kerken in Judea, Galilea en Samaria in een goede toestand waren en sterk groeiden; dat Petrus een zekere Eneas te Lydda van zijn verlamming genezen heeft, en te Joppe een zekere Tabita uit de dood opgewekt (hoofdstuk 9). Dat Petrus ontboden wordt door een hoofdman, Cornelius geheten, en toen hij twijfelde of hij wel bij een heiden mocht komen, door een goddelijke verschijning uit de hemel onderwezen en gesterkt wordt; hoe hij door hem ontvangen werd en hem met zijn vrienden door een voortreffelijke prediking tot Christus bekeerd heeft (hoofdstuk 10). Toen sommigen dit kwalijk namen, dat Petrus de hele zaak verhaald heeft en hen daarmee tot bedaren bracht; dat door de verstrooiden de gemeente tot in Fenicië, Cyprus en Antiochië uitgebreid werd, en Barnabas naar Antiochië gezonden wordt om de gelovigen te versterken, waar Agabus de hongersnood voorzegt die daarna onder keizer Claudius geweest is, waarom zij besluiten door Paulus en Barnabas een gift te zenden aan de arme gelovigen in Judea, die dat uitgevoerd hebben en daarna terugkeren naar Antiochië, waar de gelovigen voor het eerst christenen genoemd worden (hoofdstuk 11). Dat Herodes Agrippa Jakobus, de broer van Johannes, heeft onthoofd en Petrus in de gevangenis heeft geworpen om hem ook te laten doden, waaruit hij door een engel van de Heere verlost wordt en bij de gelovigen komt, die bijeen waren in het huis van de moeder van Johannes Markus; dat Herodes de soldaten die Petrus bewaakten liet ombrengen; dat Herodes te Caesarea, toen hij met grote praal tot het volk sprak en door hen als een god vereerd werd, door een engel geslagen werd, zodat hij door de wormen verteerd werd en stierf (hoofdstuk 12). Dat de Heilige Geest opdraagt Paulus en Barnabas naar de heidenen te zenden, en dat zij, na oplegging van de handen, naar Cyprus gereisd zijn, waar zij in de synagogen van de Joden prediken; en Paulus bestraft streng een tovenaar, Elymas, die bij de stadhouder Sergius Paulus was, en slaat hem met blindheid, waarna deze tot het geloof bekeerd wordt; dat Paulus te Antiochië in Pisidië in de synagoge van de Joden een voortreffelijke prediking gehouden heeft, die de samenvatting van de christelijke leer bevatte, waardoor veel heidenen bekeerd werden, maar de Joden hitsten enkele vrouwen op en wierpen hen uit hun gebied (hoofdstuk 13). Dat Paulus en Barnabas een tijdlang te Ikonium gepredikt hebben, en toen daarover een verdeeldheid in de stad ontstond en men hen kwaad wilde doen, dat zij gevlucht zijn naar Lystra, waar Paulus een verlamde geneest, waarom de inwoners van Lystra hun als goden offers willen brengen, wat zij verhinderen; en nadat zij opgehitst waren, stenigen zij Paulus, die weer bijgekomen met Barnabas naar Derbe trekt, en daarna weer komt te Lystra, Ikonium en Antiochië, waar zij verhalen wat God door hen gedaan had (hoofdstuk 14). En omdat daar enkelen uit Judea gekomen waren die leerden dat de wet van de ceremoniën nog onderhouden moest worden, en daarover grote twist ontstond, werd het goed gevonden deze zaak voor te leggen aan het oordeel van de apostelen en oudsten te Jeruzalem; zo werden Paulus en Barnabas met enkele anderen daarheen gezonden, en nadat zij hun opdracht bekendgemaakt hadden, kwam daarover een vergadering van de apostelen en oudsten bijeen, waarin, nadat Petrus, Paulus en Barnabas hun verklaringen gegeven hadden, Jakobus zijn mening naar voren bracht; en toen alle anderen daarmee instemden, werd besloten het besluit van deze vergadering met een brief naar Antiochië en andere kerken te zenden, door Paulus, Barnabas, Judas en Silas; en toen Paulus en Barnabas de gemeenten wilden gaan bezoeken, ontstond er tussen hen beiden een verbittering vanwege Johannes Markus, zodat zij van elkaar scheidden, en Paulus naar Syrië en Cilicië reisde (hoofdstuk 15). Dat Paulus Timotheüs vanwege de Joden heeft laten besnijden, en met hem de steden van Derbe en Lystra doorreisde, en dat de kerken dagelijks groeiden; dat zij door Mysië reisden naar Troas, waar Paulus door een verschijning vermaand wordt naar Macedonië te trekken, en te Filippi gekomen is, waar hij Lydia, de purperverkoopster, bekeert, die met haar huisgezin gedoopt wordt; dat hij daar een waarzeggende geest uitdrijft uit een dienstmeisje, wier meesters daarom het volk tegen hen ophitsten, dat hen laat geselen en in de gevangenis werpen, die, toen zij baden en lofzangen zongen, door een aardbeving geopend wordt, waardoor de gevangenbewaarder bekeerd en met zijn huisgezin gedoopt wordt; dat de oversten van de stad hun gebieden de stad uit te gaan, wat Paulus niet wilde doen tenzij zij hen zelf uit de gevangenis zouden komen halen, wat gebeurd is (hoofdstuk 16). Dat zij vandaar vertrokken zijn naar Tessalonica, waar zij prediken en sommigen bekeren, maar de Joden hitsen het volk tegen hen op en slepen Jason voor de overheid, waarom zij vandaar naar Berea vertrekken, waar zij ook prediken, en de inwoners van Berea de Schriften onderzoeken of hun prediking daarmee overeenkwam; dat Paulus vandaar naar Athene gereisd is, waar hij voor de Raad gebracht wordt en met de filosofen redetwist, en tegenover hen bewijst dat er maar één waarachtige God is, die ons allen geschapen heeft en die hij predikte, en dat er een algemeen oordeel en een opstanding van de doden zal zijn, waarmee zij gespot hebben; maar enkelen geloofden, onder wie Dionysius de Areopagiet en Damaris (hoofdstuk 17). Dat Paulus vandaar naar Korinthe gekomen is, waar hij Aquila en Priscilla vindt, bij wie hij in huis ging, en in de synagoge predikt, waartegen de Joden zich verzetten en hem voor de rechterstoel van de stadhouder Gallio sleepten, die over de twisten van de godsdienst niet wil oordelen; dat hij vandaar naar Syrië vertrokken is, nadat hij te Kenchreeën zijn hoofd had laten scheren, te Efeze komt en vandaar door Caesarea naar Jeruzalem vertrekt, en verder naar Antiochië, en na daar een korte tijd geweest te zijn, naar Galatië en Frygië; dat een zekere Apollos te Efeze de Joden krachtig overtuigd heeft dat Jezus de Christus was (hoofdstuk 18). Dat Paulus ook te Efeze gekomen is, en toen hij daar enkele discipelen vond die de gaven van de Heilige Geest nog niet ontvangen hadden, en daarvan ook niet wisten, hun die door oplegging van de handen gegeven heeft; dat hij daar in de school van Tyrannus twee jaar onderwezen heeft en veel zieken genezen; dat hij een onreine geest uitwerpt, die enkele duivelbezweerders verwondt en de kleren afscheurt; dat velen hun toverboeken, die veel waard waren, verbrandden; dat Paulus voornemens is naar Jeruzalem te reizen; dat er te Efeze tegen hem een grote oploop ontstaat door een zekere Demetrius en andere zilversmeden, omdat door zijn leer hun winst verminderde, die zij hadden uit het maken van kleine zilveren afbeeldingen van de tempel van Diana; welke oploop door de stadssecretaris tot bedaren gebracht wordt (hoofdstuk 19). Dat Paulus met enig gezelschap door Macedonië gereisd is naar Troas, en toen hij daar voor zijn vertrek een lange prediking hield, dat een jongeman, Eutychus geheten, uit het venster dood viel en door Paulus opgewekt werd; dat hij via Assos, Mitylene, Samos en Trogyllium te Milete gekomen is, waar hij de oudsten en opzieners van de gemeente van Efeze bij zich ontboden heeft, van wie hij afscheid neemt, terwijl hij hen ernstig vermaant goed acht te geven op de gemeente, omdat na zijn vertrek veel valse leraren zouden opstaan (hoofdstuk 20). Dat hij vandaar gereisd is via Kos, Rhodos en Patara naar Tyrus in Fenicië, en vandaar naar Ptolemaïs, en verder naar Caesarea, waar in het huis van Filippus de profeet Agabus Paulus voorzegt dat hij te Jeruzalem gevangengenomen en geboeid zou worden, waarom de gelovigen hem smeekten niet naar Jeruzalem op te trekken, wat Paulus afslaat, en doorreist naar Jeruzalem; waar hij, gekomen in het huis van Jakobus, in aanwezigheid van de oudsten verhaalt wat God door hem onder de heidenen gedaan had; dat Jakobus hem aanraadt om, vanwege de zwakke Joden, zijn hoofd te laten scheren, wat hij doet; dat enkele Joden uit Azië de hele stad tegen hem in oproer brachten en hem wilden doden, ware het niet dat de overste hem aan hen ontrukt en in de legerplaats gebracht had, die hem, na hem ondervraagd te hebben, toestaat zich voor het volk te verantwoorden (hoofdstuk 21), waarin hij zijn hele leven en doen verhaalt, en vooral zijn bekering en zijn roeping om de heidenen het Evangelie te prediken. Daarop riepen en tierden de Joden des te meer, zodat de overste hem wilde laten geselen, maar toen hij van Paulus vernam dat hij een Romeins burger was, zag hij daarvan af, en liet de hele Raad van de Joden in de legerplaats komen om hem te horen (hoofdstuk 22). Voor wie Paulus zijn verantwoording begint, en op bevel van de hogepriester Ananias in het gezicht geslagen wordt, waarover Paulus hem scherp bestraft; en hij verklaart dat hij terechtstond vanwege het geloof in de opstanding van de doden, waaruit een grote twist en geschreeuw ontstaan is onder de rechters, omdat sommigen farizeeën en sommigen sadduceeën waren; dat meer dan 40 Joden zich onder ede verbonden niet te zullen eten of drinken voordat zij Paulus gedood zouden hebben, wat door de zoon van Paulus' zuster aan hem en aan de oversten onthuld is; dat de overste Claudius Lysias hem 's nachts met een escorte naar Caesarea gezonden heeft, met een brief aan de stadhouder Felix, die hem in het gerechtsgebouw van Herodes gevangenzet totdat zijn aanklagers gekomen zouden zijn (hoofdstuk 23). Dat Ananias en de oudsten te Caesarea gekomen zijn om hem te beschuldigen, wat gedaan is door de woordvoerder Tertullus, die hem beschuldigt van oproer en ontheiliging van de tempel; dat Paulus beide aanklachten ontkend heeft, terwijl hij verhaalde wat er gebeurd was en waarom hij naar Jeruzalem gekomen was; dat Felix de zaak uitgesteld heeft tot de komst van Lysias, hem meer vrijheid in de gevangenis gevend, en dat hij hem dikwijls bij zich en zijn vrouw ontboden heeft om hem te horen; dat hij zo gevangengehouden is totdat Festus in zijn plaats gekomen is (hoofdstuk 24). Dat de Joden, toen Festus te Jeruzalem gekomen was, hem smeekten dat Paulus te Jeruzalem berecht zou mogen worden, wat hij weigert, en hun opdraagt hem te Caesarea voor hem te beschuldigen; dat zij dat doen, en Paulus zich verantwoordt; en toen Festus hem naar Jeruzalem wilde zenden, dat hij zich op de keizer beroept; dat koning Agrippa en Bernice hem wensen te horen, voor wie hij geleid wordt (hoofdstuk 25). En hij verantwoordt zich tegen de beschuldigingen van zijn tegenstanders, terwijl hij verhaalt hoe hij eerst de gemeente vervolgd heeft, en hoe hij wonderbaarlijk tot Christus bekeerd is, en daarover beschuldigd wordt; waarover Festus hem bespot, en Agrippa verklaart dat men hem had kunnen vrijlaten als hij zich niet op de keizer beroepen had (hoofdstuk 26). Dat Paulus met enkele andere gevangenen overgeleverd wordt aan de hoofdman Julius om naar Rome gebracht te worden; dat zij daartoe in een schip van Adramyttium gaan en naar Sidon varen, vandaar langs Cyprus naar Myra, en, overgestapt in een schip van Alexandrië, langs Knidus en Kreta tot Schoonhaven, waar Paulus aanraadt te overwinteren, maar de hoofdman volgt de raad van de stuurman en vaart door, langs Kreta tot Klauda, en daar ontstaat een grote storm, zodat zij de lading overboord moeten werpen; dat God door een engel aan Paulus openbaart dat niemand zou omkomen, maar dat zij op een eiland zouden stranden, waarom Paulus hen vermaant goedsmoeds te zijn; dat zij vier ankers uitwerpen, en dat de zeelieden met de boot wilden ontvluchten, wat Paulus verhindert; dat zij het koren overboord werpen, en nadat zij wat gegeten hadden, bij land kwamen, waar zij het schip lieten lopen; dat de soldaten de gevangenen wilden doden, wat de hoofdman verhindert, en dat zij zo, schipbreuk lijdend, naar land zwemmen (hoofdstuk 27). Dat dit land het eiland Malta was, en dat zij door de inwoners vriendelijk ontvangen werden; dat een adder zich aan de hand van Paulus vastbijt, die hij zonder letsel afschudt; dat Paulus de vader van Publius van de koorts en de rode loop geneest, en andere zieken op dat eiland; dat zij na drie maanden vandaar doorvaren naar Italië, via Syracuse, Regium, Puteoli en Appiusmarkt, en te Rome komen, waar Paulus aan de oversten van het leger wordt overgeleverd en door een soldaat bewaakt wordt; dat Paulus aan de Joden daar uitlegt waarom hij gevangen naar Rome gezonden was, en dat hij met hen over de godsdienst gesproken heeft en hun bewezen dat Jezus de Christus was, wat sommigen geloofden en anderen niet; dat Paulus daar in een gehuurd huis twee jaar gebleven is, terwijl hij vrijuit het Evangelie predikte (hoofdstuk 28).