BijbelHandelingen

Handelingen 1

Lees Handelingen 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Het voorwoord van Lukas, waardoor hij dit tweede boek verbindt aan zijn Evangelie. 3 Christus verkeert na zijn opstanding veertig dagen lang met zijn apostelen. 4 Beveelt hun binnen Jeruzalem te wachten op de zending van de Heilige Geest. 6 Beantwoordt hun vraag wanneer hij het Koninkrijk van Israël zal oprichten. 9 Vaart op naar de hemel, terwijl zij het zien. 10 Wat twee engelen betuigen, die ook zijn wederkomst voorzeggen. 12 De apostelen keren terug naar Jeruzalem. 13 Blijven eensgezind in het gebed met enige vrouwen en met de moeder van Christus. 15 Petrus verhaalt de voorzeggingen over Judas en zijn ein de. 21 En vermaant een ander in Judas' plaats te stellen; tot welk ein de twee worden voorgesteld. 24 Uit wie, na gebed, door loting Matthias tot apostel gekozen wordt.

1Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al wat Jezus begonnen heeft zowel te doen als te leren;

2Tot op de dag, waarin Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.

3Aan wie Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelf levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk van God aangaan.

4En als Hij met hen verzameld was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt.

5Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.

6Zij dan, die samengekomen waren, vroegen Hem, zeggende: Heere, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?

7En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;

8Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.

9En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

10En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;

11Die ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.

12Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genoemd wordt de Olijfberg, die is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.

13En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broer van Jakobus.

14Deze allen waren eensgezind volhardend in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.

15En in die dagen stond Petrus op in het midden van de discipelen, en sprak (er was nu een menigte bijeen van ongeveer honderd en twintig personen):

16Broeders, deze Schrift moest vervuld worden, die de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is degenen, die Jezus vingen;

17Want hij was met ons gerekend, en had het lot van deze bediening verkregen.

18Deze dan heeft verworven een akker, door het loon van de ongerechtigheid, en vooruit overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.

19En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, zo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker van het bloed.

20Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woning worde woest, en er zij niemand die daarin woon. En: Een ander neme zijn opzienersambt.

21Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons in gegaan en uitgegaan is,

22beginnend van de doop van Johannes, tot de dag toe, waarin Hij van ons opgenomen is, één van hen samen met ons getuige wordt van Zijn opstanding.

23En zij stelden er twee voor, Jozef, genoemd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias.

24En zij baden en zeiden: U Heere! U Kenner van de harten van allen, wijs van deze twee een aan, die U uitverkoren hebt;

25Om te ontvangen het lot van deze bediening en van het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.

26En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.