Handelingen 10
Lees Handelingen 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Een engel verschijnt aan Cornelius, de hoofdman te Cesarea, terwijl hij vastte en bad. 5 Beveelt hem Petrus van Joppe te ontbieden om door hem onderwezen te worden. 7 Hij zendt zijn dienstknechten. 9 Petrus wordt ondertussen door een visioen van een linnen laken met allerlei reine en onreine dieren, uit de hemel neergelaten, en door een stem onderwezen dat het onderscheid tussen Joden en heidenen nu was opgeheven. 17 De dienstknechten van Cornelius komen bij Petrus. 19 Die, door God vermaand, met hen reist naar Cesarea. 24 Waar Cornelius met zijn vrienden vergaderd is en hem met grote eerbied ontvangt. 28 Petrus verhaalt wat God hem had geopenbaard. 30 Evenals Cornelius. 34 Petrus predikt Christus aan Cornelius en de zijnen. 44 En zij ontvangen daarop de Heilige Geest. 46 Spreken met vreemde tongen. 47 En worden gedoopt.
1En er was in Cesarea een man met de naam Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genoemd de Italiaanse;
2Godvrezend en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele liefdegaven aan het volk, en God steeds biddende.
3Deze zag in een visioen duidelijk, ongeveer op het negende uur overdag, een engel van God tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius!
4En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heere? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw liefdegaven zijn tot herinnering opgekomen voor God.
5En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus.
6Deze ligt te huis bij een Simon, leerbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat u doen moet.
7En als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godvrezenden soldaat van degenen, die steeds bij hem waren;
8En toen hij hun alles had verteld, zond hij hen naar Joppe.
9En op de andere dag, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, ongeveer op het zesde uur.
10En hij werd hongerig, en verzocht te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een geestvervoering.
11En hij zag de hemel geopend, en een zeker voorwerp tot hem neerdalen, zoals een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en neergelaten op de aarde;
12In dat waren al de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels des hemels.
13En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet.
14Maar Petrus zei: In geen geval, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat onheilig of onrein was.
15En opnieuw klonk er een stem tot hem, voor de tweede keer: Wat God gereinigd heeft, zult u niet onheilig maken.
16En dit gebeurde drie keer; en het voorwerp werd opnieuw opgenomen in de hemel.
17En zo Petrus in zichzelf twijfelde, wat toch het visioen mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort.
18En iemand geroepen hebbende, vroegen zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag.
19En als Petrus over dat visioen dacht, zei de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;
20Daarom sta op, en ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden.
21En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zei: Zie, ik ben het, die u zoekt; wat is de oorzaak, waarom u hier bent?
22En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die een goed getuigenis heeft van heel het volk van de Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heilige engel, dat hij u zou ontbieden te zijn huize, en dat hij van u woorden van de zaligheid zou horen.
23Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Maar op de andere dag ging Petrus met hen mee, en sommigen van de broeders, die van Joppe waren, gingen met hem.
24En op de andere dag kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn familie en bijzonderste vrienden.
25Toen Petrus binnenkwam, ging Cornelius hem tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij.
26Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.
27En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.
28En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou onheilig of onrein heten.
29Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden u mij hebt ontboden.
30En Cornelius zei: Vier dagen geleden was ik tot op dit uur aan het vasten, en op het negende uur bad ik in mijn huis.
31En ziet, een man stond voor mij, in een blinkend kleed, en zei: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uw liefdegaven zijn voor God gedacht geworden.
32Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, de leerbereider, aan de zee, die, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal.
33Zo heb ik dan meteen tot u gezonden, en u hebt welgedaan, dat u hier gekomen bent. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al wat u van God bevolen is.
34En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is;
35Maar in allen volk, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.
36Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft de Israëlieten, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heere van allen.
37U weet wat er gebeurd is door heel Judea, beginnende van Galilea, na de doop, die Johannes gepredikt heeft;
38Wat betreft Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Die het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.
39En wij zijn getuigen van al wat Hij gedaan heeft, zowel in het Joodse land als te Jeruzalem; Die zij gedood hebben, Hem hangende aan het hout.
40Deze heeft God opgewekt op de derde dag, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden;
41Niet al de volk, maar de getuigen, die van God te voren gekozen waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.
42En heeft ons geboden de volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.
43Deze geven getuigenis al de profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam.
44Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.
45En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren, ontzetten zich, dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd.
46Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus:
47Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, die de Heilige Geest ontvangen hebben, als ook wij?
48En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam van de Heere. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.