Handelingen 11
Lees Handelingen 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Petrus komt te Jeruzalem, waar hij beschuldigd wordt dat hij tot de onbesnedenen was ingegaan. 4 Waarop hij tot zijn verdediging verhaalt al wat dienaangaande geschied was. 18 Welke verdediging aangenomen wordt. 19 De verstrooide gelovigen verkondigen Christus tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe aan de Joden, en sommigen ook aan de Grieken. 21 Zodat er velen geloofden. 22 Wat de gemeente van Jeruzalem verstaande, zendt Barnabas naar Antiochië om hen te versterken. 25 Die naar Tarsen reist om Saulus te zoeken en hem meebrengt naar Antiochië. 26 Waar de discipelen het eerst christenen worden genoemd. 27 Agabus voorzegt de hongersnood. 29 Waarom de broeders door Saulus en Barnabas een handreiking zenden aan de broeders te Jeruzalem.
1De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord van God aangenomen hadden.
2En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren,
3Zeggende: U bent ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.
4Maar Petrus, beginnende, vertelde het hun vervolgens, zeggende:
5Ik was in de stad Joppe, biddende en zag in een geestvervoering een visioen, namelijk een voorwerp, zoals een groot linnen laken, neerdalende, bij de vier hoeken neergelaten uit de hemel, en het kwam tot bij mij;
6Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels des hemels.
7En ik hoorde een stem, die tot mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet.
8Maar ik zei: In geen geval, Heere, want nooit is iets, dat onheilig of onrein was, in mijn mond ingegaan.
9Maar de stem antwoordde mij voor de tweede keer uit de hemel: Wat God gereinigd heeft, zult u niet onheilig maken.
10En dit gebeurde drie keer; en alles werd opnieuw opgetrokken in de hemel.
11En zie, op dat moment stonden er drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren.
12En de Geest zei tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in het huis van de man ingegaan.
13En hij heeft ons verteld hoe hij een engel had gezien, die in zijn huis stond, en tot hem zei: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus;
14Die woorden tot u zal spreken, door welke u zult zalig worden, en al uw huis.
15En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, zoals ook op ons in het begin.
16En ik werd gedachtig aan het woord van de Heere, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult gedoopt worden met de Heilige Geest.
17Als dan God hun dezelfde gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?
18En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering tot het leven gegeven!
19Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus was gekomen, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden.
20En er waren enige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, die te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Grieken, verkondigende de Heere Jezus.
21En de hand van de Heere was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot de Heere.
22En het gerucht van hen kwam tot de oren van de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe.
23Die, daar gekomen zijnde, en de genade van God ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen van het hart bij de Heere zouden blijven.
24Want hij was een goed man, en vol van de Heilige Geest en van het geloof; en er werd een grote menigte de Heere toegevoegd.
25En Barnabas ging uit naar Tarsen, om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem in Antiochië.
26En het is gebeurd, dat zij een geheel jaar samen verzamelden in de Gemeente, en een grote menigte leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.
27En in die dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië.
28En één uit hen, met de naam Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over heel de wereld; die ook gekomen is onder de keizer Claudius.
29En naar gelang een ieder van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te sturen voor de hulp aan de broeders, die in Judea woonden.
30Dat zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus.