BijbelHandelingen

Handelingen 13

Lees Handelingen 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Barnabas en Saulus worden uit de leraren van Antiochië door de Heilige Geest gezonden tot de heidenen. 4 Zij reizen door Seleucia naar Cyprus, en prediken te Salamis en Pafos. 7 Waar de stadhouder Sergius Paulus hen wil horen. 8 Wat Barjesus de tovenaar probeert te verhin deren, maar door Paulus met blindheid wordt geslagen. 12 En de stadhouder tot bekering komt. 13 Vandaar reizen zij naar Perge, 14 en verder naar Antiochië in Pisidië. 15 Waar Paulus in de zijnagoge predikend de weldaden van God aan de Israëlieten verhaalt tot op David. 23 En bewijst dat de belofte van Davids zaad vervuld is in Jezus Christus, die te Jeruzalem is gekruisigd en uit de doden opgewekt. 33 Zoals door David was voorzegd. 38 En dat door hem gerechtvaardigd worden allen die in hem geloven. 40 En dat hij straft wie hem ongehoorzaam zijn. 42 Sommigen van de Joden geloven, en anderen spreken tegen. 46 Waarom zij zich tot de heidenen keren, van wie diegenen geloven die tot het eeuwige leven bestemd waren. 50 De Joden verwekken vervolging tegen Paulus en Barnabas, die het stof van hun voeten schudden en wijken naar Ikonium.

1En er waren te Antiochië, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genoemd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus.

2En als zij de Heere dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zonder Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.

3Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.

4Deze dan, uitgezonden zijnde van de Heilige Geest, kwamen af tot Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.

5En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.

6En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus;

7Die was bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandige man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord van God te horen.

8Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende de stadhouder van het geloof af te keren.

9Maar Saulus (die ook Paulus genoemd is), vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zei:

10O u kind van de duivel, vol van alle bedrog, en van alle sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, zult u niet ophouden te verdraaien de rechte wegen van de Heere?

11En nu zie, de hand van de Heere is tegen u, en u zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En meteen viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.

12Toen de stadhouder zag wat er was gebeurd, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer van de Heere.

13En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weer naar Jeruzalem.

14En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op de dag van de sabbat, zaten zij neer.

15En na het lezen van de wet en van de profeten, zonden de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, als er enig woord van troost tot het volk in u is, zo spreekt.

16En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zei: U Israëlietische mannen, en u, die God vreest, hoort toe.

17De God van dit volk Israël heeft onze vaders uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hoge arm daaruit geleid.

18En heeft ongeveer de tijd van veertig jaren hun doen en laten verdragen in de woestijn.

19En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun door het lot het land daarvan uitgedeeld.

20En daarna ongeveer vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuël, de profeet.

21En van toen aan vroegen zij om een koning; en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaren.

22En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; die Hij ook getuigenis gaf, en zei: Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.

23Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus;

24Als Johannes eerst al de volk van Israël voor Zijn aankomst, gepredikt had de doop van de bekering.

25Maar als Johannes de loop vervulde, zei hij: Wie denkt u, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wie ik niet waard ben de schoenen van Zijn voeten te ontbinden.

26Broeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en die onder u God vrezen, tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.

27Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Deze niet kennende, hebben ook de stemmen van de profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;

28En geen oorzaak van de dood vindende, hebben zij van Pilatus verzocht, dat Hij zou gedood worden.

29En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.

30Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

31Die gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.

32En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaders is gedaan, dat namelijk God die heeft vervuld aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.

33Zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, vandaag heb Ik U gegenereerd.

34En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij zo gezegd: Ik zal u de goedertierenheden van David geven, die getrouw zijn;

35Waarom hij ook in een andere psalm zegt: U zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.

36Want David, als hij in zijn tijd de raad van God gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaders gelegd; en heeft wel verderving gezien;

37Maar Hij, Die God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.

38Zo zij u dan bekend, broeders, dat door Deze u vergeving van de zonden verkondigd wordt;

39En dat van alles, waarvan u niet kon gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Deze een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.

40Zie dan toe, dat over u niet kome, wat gezegd is in de profeten:

41Zie, u verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat u niet zult geloven, zelfs als iemand het u vertelt.

42En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen de volgende sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.

43En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; die tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade van God.

44En op de volgenden sabbat kwam bijna heel de stad samen, om het Woord van God te horen.

45Maar de Joden, de menigten ziende, werden met jaloezie vervuld, en wederspraken, wat van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.

46Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.

47Want zo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zou zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde.

48Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heere; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven.

49En het Woord van de Heere werd door heel het land uitgebreid.

50Maar de Joden stookten de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hun gebied.

51Maar zij schudden het stof van hun voeten af daartegen, en kwamen te Ikonium.

52En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest.