Handelingen 17
Lees Handelingen 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Paulus predikt Christus te Thessalonica. 4 Sommige Joden en vele Grieken geloven. 5 Anderen verwekken oproer tegen hen, en slepen Jason voor de overheden van de stad. 10 Maar Paulus en Silas ontkomen, en reizen naar Berea, waar zij ook prediken, 11 en velen, die de Schrift ijverig onderzoeken, worden gelovig. 13 De Joden van Thessalonica vervolgen hem ook daar, en brengen het volk in beroering. 14 Maar de broeders begeleiden Paulus tot Athene, 16 waar hij zich ontstelt over de afgoderij, 18 en door sommige epicurische en stoïcijnse filosofen bespot wordt. 19 Hij wordt op de Areopagus gebracht, 20 en door zijn hoorders nader ondervraagd. 22 Waarop hij hen onderricht over de ijdelheid van de afgoden, en over de kennis en dienst van de ware God, die hemel en aarde geschapen heeft en regeert, voor wie zij ook, onbekend, een altaar hadden opgericht. 30 Hij vermaant hen dan tot bekering en geloof in Christus, die uit de doden opgewekt en tot een Rechter van de wereld gesteld is. 32 Wat sommigen bespotten, en sommigen geloofden, onder wie ook waren Dionysius de Areopagiet en Damaris.
1En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, waar een synagoge van de Joden was.
2En Paulus, zoals hij gewend was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,
3Hij legde uit en zette uiteen, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Die ik, zei hij, u verkondige.
4En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinigen.
5Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit jaloers zijnde, namen tot zich enige slechte mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en verontrustten de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
6En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten van de stad, roepende: Deze, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;
7Die Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen de geboden van de keizer, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk een Jezus.
8En zij verontrustten de menigte, en de oversten van de stad, die dit hoorden.
9Maar als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan.
10En de broeders zonden meteen bij nacht Paulus en Silas weg naar Berea; die, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge van de Joden;
11En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle bereidwilligheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren.
12Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse aanzienlijke vrouwen en van de mannen niet weinigen.
13Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord van God ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de menigten.
14Maar de broeders zonden toen meteen Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven daar.
15En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.
16En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was.
17Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen.
18En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze praatjesmaker zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.
19En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genoemd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar u van spreekt?
20Want u brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil.
21(Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.)
22En Paulus, staande in het midden van de plaats, genoemd Areopagus, zei: U mannen van Athene! ik merk dat u in alle opzichten zeer godsdienstig bent.
23Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op dat een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Die u niet kennende dient, verkondig ik u.
24De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;
25En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft;
26En heeft uit één bloede heel het geslacht van de mensen gemaakt, om op de hele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren bestemd, en de bepalingen van hun woning;
27Opdat zij de Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een ieder van ons.
28Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; zoals ook enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
29Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen zoals zij, die door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.
30God dan, de tijden van de onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen overal, dat zij zich bekeren.
31Daarom Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
32Als zij nu van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmee; en sommigen zeiden: Wij zullen u opnieuw hiervan horen.
33En zo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan.
34Maar sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder wie was ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, met de naam Damaris, en anderen daarmee.