BijbelHandelingen

Handelingen 18

Lees Handelingen 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Paulus komt te Korinthe, en vindt daar Aquila en Priscilla, bij wie hij de kost verdient met het maken van tenten. 4 Hij leert in de synagoge dat Jezus de Christus is. 6 Hij schudt tegen de lasteraars het stof van zijn kleren af. 7 Crispus en vele Korinthiërs geloven, en worden gedoopt. 9 Paulus wordt door een visioen van de Heere vermaand daar te blijven. 12 Hij wordt door de Joden voor de stadhouder Gallio beschuldigd, die dat niet aanneemt. 17 Sosthenes wordt voor de rechterstoel geslagen. 18 Paulus reist naar Syrië, komt te Efeze, daarna te Cesarea, en vervolgens te Antiochië. 23 Hij doorreist Galatië en Frygië. 24 Apollos leert te Efeze de doop van Johannes, 26 en, door Aquila en Priscilla nader onderwezen, reist hij naar Achaje, en bewijst uit de Schriften dat Jezus de Christus is.

1En na deze scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe;

2En vond een zekere Jood, met de naam Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;

3En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en werkte; want zij waren tentenmakers van handwerk.

4En hij handelde op elke sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.

5En als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door de Geest gedrongen, betuigende de Joden, dat Jezus is de Christus.

6Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.

7En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met de naam Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.

8En Crispus, de overste van de synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.

9En de Heere zei tot Paulus door een visioen in de nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.

10Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volk in deze stad.

11En hij onthield zich daar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord van God.

12Maar als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eensgezind tegen Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel.

13Zeggende: Deze raadt de mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet.

14En als Paulus zijn mond zou opendoen, zei Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan was, o Joden, zo zou ik met reden u verdragen;

15Maar als er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zult u dat zelf moeten regelen; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.

16En hij dreef hen weg van de rechterstoel.

17Maar al de Grieken namen Sosthenes, de overste van de synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.

18En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.

19En hij kwam te Efeze aan, en liet hen daar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden.

20En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het niet.

21Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet geheel het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.

22En als hij te Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië.

23En als hij daar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen.

24En een Jood met de naam Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften.

25Deze was in de weg van de Heere onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde ijverig de zaken van de Heere, wetende alleen de doop van Johannes.

26En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit.

27En als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; die, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade.

28Want hij overtuigde de Joden met grote ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was.