Handelingen 19
Lees Handelingen 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Paulus komt te Efeze, en vindt daar twaalf discipelen, die met de doop van Johannes gedoopt waren, 6 op wie hij de handen legt, en zij ontvangen de gaven van de Heilige Geest. 8 Hij leert daar ruim twee jaar, zowel in de synagoge als in de school van Tyrannus, 11 en bevestigt zijn leer met bijzondere wonderen, ook door zijn zweetdoeken. 13 Zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester, die enige bezetenen bezweren bij de Naam van Jezus, worden door de boze geesten overweldigd en verwond. 18 Velen die hun daden belijden, brengen hun boeken van ijdele kunsten bijeen, die verbrand worden. 21 Paulus neemt zich voor naar Jeruzalem te reizen. 23 Demetrius, een zilversmid, die de kost verdient met het maken van kleine zilveren tempeltjes van Diana, verwekt een oproer tegen hem. 30 Paulus wil naar buiten gaan onder het volk om dat te stillen, maar het wordt hem afgeraden. 33 Alexander tracht zich te verantwoorden, maar wordt niet gehoord, omdat hij een Jood was. 35 Maar door de stadssecretaris wordt ten slotte dit oproer gestild.
1Terwijl Apollos te Korinthe was, kwam Paulus, na de hooggelegen delen van het land doorreisd te hebben, te Efeze; en enige discipelen daar vindende,
2Zei hij tot hen: Hebt u de Heilige Geest ontvangen, als u geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest is.
3En hij zei tot hen: Waarin bent u dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes.
4Maar Paulus zei: Johannes heeft wel gedoopt de doop van de bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Degene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.
5En die hem hoorden werden gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.
6En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.
7En alle deze waren ongeveer twaalf mannen.
8En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoedig, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk van God.
9Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg van de Heere voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van een zekere Tyrannus.
10En dit duurde twee jaar, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
11En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus;
12Zo dat ook van zijn lijf op de zieken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.
13En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden de Naam van de Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Die Paulus predikt!
14Deze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden.
15Maar de boze geest, antwoordende, zei: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar u, wie bent u?
16En de mens, waarin de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, zo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvlucht.
17En dit werd allen bekend, zowel Joden als Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vrees over hen allen, en de Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt.
18En velen degenen, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden.
19Velen ook degenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller aanwezigheid; en berekenden de waarde daarvan, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen.
20Zo groeide het Woord van de Heere met macht, en nam de overhand.
21En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de Geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.
22En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië.
23Maar op diezelfde tijd ontstond er geen kleine opschudding, vanwege de weg van de Heere.
24Want één, met de naam Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht die van die kunst geen klein winst toe;
25Die hij samenvergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zei: Mannen, u weet, dat wij uit dit winst onze welvaart hebben;
26En u ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel Azië, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden.
27En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit ten onder zal gaan, aan wie heel Azië en heel de wereld eer bewijst.
28Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van boosheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diana van de Efezeren!
29En heel de stad werd vol verwarring; en zij liepen met een geluid eensgezind naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis.
30En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe.
31En sommigen ook van de oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zichzelf op de schouwplaats niet zou begeven.
32Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want de vergadering was verward en het meerderdeel wist niet, om wat oorzaak zij samengekomen waren.
33En zij deden Alexander uit de menigte voortkomen, terwijl de Joden hem naar voren duwden. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.
34Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er een stem van allen, die ongeveer twee uur lang riepen: Groot is de Diana van de Efezeren!
35En als de stadsschrijver de menigte gestild had, zei hij: U mannen van Efeze! wat mens is er toch, die niet weet, dat de stad van de Efezeren de kerkbewaarster zij van de grote godin Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is?
36Omdat dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, is het gepast dat u kalm bent, en niets onbedachts doet.
37Want u hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren.
38Als dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkaar aanklagen.
39En als u iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een wettige vergadering beslecht worden.
40Want wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen aangeklaagd worden om de dag van vandaag, zo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van deze oploop.
41En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan.