BijbelHandelingen

Handelingen 2

Lees Handelingen 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De Heilige Geest wordt met zichtbare tekenen op de Pinksterdag over de apostelen uitgestort. 4 Die, met zijn gaven vervuld, de grote daden van God spreken in allerlei talen. 5 Waarover binnen Jeruzalem onder allerlei volken beroering ontstaat, zodat sommigen zich verwonderen en anderen ermee spotten. 14 Petrus weerlegt de spotters en wijst aan dat dit geschied is naar de voorzegging van de profeet Joël. 22 Bewijst uit de Psalmen van David dat Jezus, die zij gekruisigd hadden, uit de doden was opgestaan, gezeten aan de rechterhand van God, en van daar deze gaven had uitgestort. 36 En dat hij dus de beloofde Messias was. 37 Waardoor de toehoorders verslagen worden en door Petrus tot bekering vermaand, en er drieduizend van hen gedoopt worden. 42 Die volharden in de leer van de apostelen en de beoefening van de godsdienst en de liefde, en de goederen gemeenschappelijk hebben. 47 En de gemeente neemt dagelijks toe.

1En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen.

2En er gebeurde snel uit de hemel een geluid, zoals van een geweldige windvlaag, en vervulde het hele huis, waar zij zaten.

3En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een ieder van hen.

4En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

5En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvrezende mannen van allen volk degenen, die onder de hemel zijn.

6En als deze stem gebeurd was, kwam de menigte samen, en werd verontrust, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

7En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkaar: "Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileërs?"

8En hoe horen wij hen een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn?

9Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.

10En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten;

11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken.

12En zij ontzetten zich allen, en werden in twijfel, zeggende, de één tegen de ander: Wat wil toch dit zijn?

13En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoete wijn.

14Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: U Joodse mannen, en u allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.

15Want deze zijn niet dronken, zoals u vermoedt; want het is pas het derde uur van de dag.

16Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël:

17En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongemannen zullen visioenen zien, en uw oude zullen dromen dromen.

18En ook op Mijn dienaren, en op Mijn dienaressen, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.

19En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.

20De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat de grote en glorierijke dag van de Heere komt.

21En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.

22U Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man van God, onder u betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, zoals ook u weet;

23Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;

24Die God opgewekt heeft, de smarten van de dood ontbonden hebbende, zo het niet mogelijk was, dat Hij daarvan dood zou gehouden worden.

25Want David zegt van Hem: Ik zag de Heere alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen word.

26Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;

27Want U zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.

28U hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; U zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.

29U broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de patriarch David, dat hij zowel gestorven als begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.

30Zo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn middel, zoveel het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;

31Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.

32Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.

33Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort.

34Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand.

35Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten.

36Zo wete dan zeker heel het huis van Israël, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruist hebt.

37En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen broeders?

38En Petrus zei tot hen: Bekeer u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.

39Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.

40En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: "Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!"

41Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan ongeveer drie duizend zielen.

42En zij waren volhardend in de leer van de apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking van het brood, en in de gebeden.

43En vrees kwam over iedere ziel; en vele wonderen en tekenen werden door de apostelen verricht.

44En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk;

45En zij verkochten hun goederen en bezittingen, en verdeelden ze onder allen, naar dat elk nodig had.

46En dagelijks eensgezind in de tempel volhardend, en van huis tot huis brood brekende, aten zij samen met verheuging en eenvoud van het hart;

47En prezen God, en hadden genade bij heel het volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.