Handelingen 22
Lees Handelingen 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Paulus voert zijn verdediging voor het volk, 3 en verhaalt dat hij een Jood was, opgevoed aan de voeten van Gamaliël, 4 en dat hij, ijverend voor de Wet, de christenen tot Damascus toe vervolgd heeft. 6 Daarna, hoe hij wonderlijk uit de hemel door Christus geroepen en bekeerd is, 12 en, door Ananias nader onderricht over zijn roeping tot het apostelschap, door hem gedoopt is. 17 En hoe Christus, door een visioen, in de tempel te Jeruzalem, hem opnieuw verschenen is, en hem tot de heidenen gezonden heeft. 22 Wanneer de Joden deze woorden horen, maken zij een nieuw oproer, en riepen dat hij niet behoorde te leven. 24 Daarom laat de overste hem binden, om gegeseld te worden. 25 Maar omdat hij zich op zijn Romeins burgerrecht beroept, wordt dat nagelaten, 30 en hij voor de Joodse Raad gesteld.
1Broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.
2(Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zei:)
3Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de nauwkeurigste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar voor God, zoals u allen vandaag bent;
4Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen.
5Zoals mij ook de hogepriester getuige is, en heel de raad van de oudsten; van die ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.
6Maar het gebeurde mij, als ik reisde, en Damascus naderde, ongeveer de middag, dat plotseling uit de hemel een groot licht mij rondom omscheen.
7En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt u Mij?
8En ik antwoordde: Wie bent U, Heere? En Hij zei tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Die u vervolgt.
9En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem Van Degene, Die tot mij sprak, hoorden zij niet.
10En ik zei: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zei tot mij: Sta op, en ga heen naar Damascus; en daar zal met u gesproken worden, van al wat u bestemd is te doen.
11En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam in Damascus.
12En een zekere Ananias, een godvrezend man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden,
13Kwam tot mij, en bij mij staande, zei tot mij: Saul, broeder, word weer ziende! En op dat moment kon ik hem zien.
14En hij zei: De God van onze vaders heeft u te voren bestemd, om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.
15Want u zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van wat u gezien en gehoord hebt.
16En nu, wat wacht u? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heere.
17En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een geestvervoering was;
18En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zei: Spoed u, en ga snel weg uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.
19En ik zei: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden;
20En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mee een welbehagen had in zijn dood, en de kleren bewaarde degenen, die hem doodden.
21En Hij zei tot mij: Ga, want Ik zal u ver weg naar de heidenen zenden.
22Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet gepast dat hij blijft leven.
23En als zij riepen, en de kleren van zich smeten, en stof in de lucht wierpen;
24Zo beval de overste, dat men hem in de kazerne zou brengen, en zei, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij zo over hem riepen.
25En zo zij hem met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het u geoorloofd een Romein, en die onveroordeeld, te geselen?
26Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en meldde het de overste, zeggende: Zie, wat u te doen hebt; want deze mens is een Romein.
27En de overste kwam toe, en zei tot hem: Zeg mij, bent u een Romein? En hij zei: Ja.
28En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben ook een burger geboren.
29Meteen dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.
30En op de andere dag, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en heel hun raad zou bijeenkomen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen.