BijbelHandelingen

Handelingen 28

Lees Handelingen 28 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Paulus, en die met hem voeren, komen behouden aan op het eiland Melite, waar zij vriendelijk onthaald worden. 3 Een adder komt uit het vuur en blijft aan de hand van Paulus hangen, die hij zonder letsel afschudt. 6 Waarover de eilandbewoners verwonderd zijn, en hem voor een god houden. 7 Paulus geneest de vader van Publius van de koorts en de buikloop, 9 en vele eilandbewoners van hun ziekten. 10 Nadat zij daar drie maanden goed onthaald zijn geweest, varen zij naar Italië, via Syracuse, tot Rhegium, vandaar tot Puteoli, en verder reizend via Appiusmarkt en de Drie Tabernen, komen zij te Rome. 16 Waar Paulus, overgeleverd aan de overste van het leger, door een soldaat bewaakt wordt. 17 Hij roept de voornaamste Joden daar bij zich, en verhaalt hun waarom hij zo gevangen naar Rome gezonden was. 21 Die daarvan geen bericht ontvangen hadden, en verlangden zijn mening over de godsdienst te vernemen. 23 Wat Paulus in een grote vergadering van Joden van 's morgens tot 's avonds toe uiteenzet, bewijzend uit Mozes en de Profeten dat Jezus de Christus was. 24 Wat sommigen geloofden, en anderen niet. 25 Die Paulus uit Gods woord ernstig bestraft, en hun voorzegt dat zij verstoten, en de heidenen in hun plaats geroepen zouden worden. 30 Paulus blijft daar twee jaar, vrijmoedig en onverhinderd het Evangelie predikend.

1En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat het eiland Melite heette.

2En de barbaren bewezen ons een buitengewone vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om de regen, die overkwam, en om de koude.

3En als Paulus één hoop takken bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand.

4En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze mens is zeker een moordenaar, die de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is.

5Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads.

6En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of plotseling dood zou neervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een god was.

7En hier, in de buurt van die plaats, had de voornaamste van het eiland, met de naam Publius, zijn landhoeven, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk herbergde.

8De vader van Publius lag, door koortsen en de rodeloop bevangen, te bed; tot die Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.

9Toen dit dan was gebeurd, kwamen ook tot hem de anderen, die ziekten hadden in het eiland, en werden genezen.

10Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons wat nodig was.

11En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrië, dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een teken, Kastor en Pollux.

12En als wij te Syrakuse aangekomen waren, bleven wij daar drie dagen;

13Vanwaar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en zo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij de tweede dag te Puteoli;

14Waar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en zo gingen wij naar Rome.

15En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; die Paulus ziende, dankte hij God en greep moed.

16En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van de leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de soldaat, die hem bewaarde.

17Na drie dagen riep Paulus degenen samen die de voornaamsten van de Joden waren. En als zij samengekomen waren, zei hij tot hen: Broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen;

18Die, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld van de dood in mij was.

19Maar als de Joden dat tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; maar niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen.

20Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hoop van Israël ben ik met deze keten omvangen.

21Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven wat u betreft van Judea ontvangen; en niemand van de broeders die hier gekomen is, heeft over u iets kwaads bericht of gezegd.

22Maar wij begeren wel van u te horen, wat u gevoelt; want wat deze sekte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.

23En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; die hij het Koninkrijk van God uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, zowel uit de wet van Mozes als de profeten, vroeg in de morgen tot de avond toe.

24En sommigen geloofden wel, wat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.

25En tegen elkaar oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaders,

26Zeggende: Ga naar dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken.

27Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij nauwelijks gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.

28Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods de heidenen gezonden is, en zij zullen ook luisteren.

29En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbenden onder elkaar.

30En Paulus bleef twee volle jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;

31Predikende het Koninkrijk van God, en lerende van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.