BijbelHandelingen

Handelingen 3

Lees Handelingen 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Petrus gaat op naar de tempel met Johannes en geneest een kreupelgeborene. 9 Waarover het volk, verwonderd, toeloopt. 12 Petrus onderricht hen dat dit niet door zijn maar door Jezus Christus' kracht geschied was. 14 Die zij gedood hadden en die uit de doden was opgestaan. 17 Troost hen en vermaant hen tot bekering. 20 Opdat zij voor hem, die nu in de hemel is en vandaar zal wederkomen, 22 naar het getuigenis van Mozes, 24 en alle profeten, 25 de zegen van Abraham zouden ontvangen.

1Petrus nu en Johannes gingen samen op naar de tempel, ongeveer op het uur van het gebed, het negende uur;

2En een man die vanaf zijn geboorte kreupel was, werd gedragen, die zij dagelijks zetten aan de deur van de tempel, genoemd de Schone, om een liefdegave te begeren van degenen, die in de tempel gingen;

3Die, Petrus en Johannes ziende, als zij in de tempel zouden ingaan, bad, dat hij een liefdegave mocht ontvangen.

4En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zei: Zie op ons.

5En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen.

6En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geve ik u; in de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel!

7En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en meteen werden zijn voeten en enkelen vast.

8En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in de tempel, wandelende en springende, en lovende God.

9En al het volk zag hem wandelen en God loven.

10En zij kenden hem, dat hij die was, die om een liefdegave gezeten had aan de Schone poort van de tempel; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over wat hem was overkomen.

11En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, dat Salomo's voorhof genoemd wordt, verbaasd zijnde.

12En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: U Israëlietische mannen, wat verwondert u zich over dit, of wat ziet u zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of vroomheid deze hadden doen wandelen?

13De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God van onze vaders, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Die u overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten.

14Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt verzocht, dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden;

15En de Vorst van het leven hebt u gedood, Die God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.

16En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze gesterkt, die u ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller aanwezigheid.

17En nu, broeders, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, als ook uw oversten.

18Maar God heeft zo vervuld, wat Hij door de mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.

19Beter u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht van de Heere,

20En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;

21Die de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.

22Want Mozes heeft tot de vaders gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broeders, zoals mij; Die zult u horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.

23En het zal gebeuren, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit de volk.

24En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.

25U bent kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaders opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.

26God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Hem eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw boosheden.