Handelingen 4
Lees Handelingen 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De oversten van de Joden nemen Petrus en Johannes gevangen. 5 Waarover de gehele Raad vergadert. 7 Door wie zij ondervraagd worden over de genezing van de kreupele. 8 Petrus betuigt dat dit geschied is in de Naam van Jezus. 11 En dat deze de steen is door de bouwers verworpen. 12 Maar dat er in geen ander zaligheid is. 13 De Raad, hoewel overtuigd van dit wonderwerk, verbiedt hun toch in de naam van Jezus te prediken. 19 Wat zij verklaren niet te kunnen laten. 21 Worden daarna met harde bedreigingen ontslagen. 23 Verhalen de hunnen wat hun was overkomen. 24 Die God bidden om bescherming, vrijmoedigheid en zegen voor de prediking van het Woord. 31 En God verhoort hen met een aardbeving. 32 De eendracht en liefde van de gelovigen, die hun goederen verkochten tot onderhoud van de behoeftigen. 36 Wat ook Barnabas gedaan heeft.
1En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman van de tempel, en de Sadduceën;
2Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden.
3En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot de andere dag; want het was nu avond.
4En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal van de mannen werd ongeveer vijf duizend.
5Op de andere dag verzamelden hun oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem;
6En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovelen er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
7En als zij hen in het midden gesteld hadden, vroegen zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt u dit gedaan?
8Toen zei Petrus, vervuld zijnde met de Heilige Geest, tot hen: U oversten van het volk, en u ouderlingen van Israël!
9Aangezien wij vandaag voor het gerecht worden ondervraagd over de weldaad aan een ziek mens bewezen, waardoor hij gezond geworden is;
10Zo zij u allen duidelijk, en heel het volk Israël, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruist hebt, Die God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.
11Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Die tot een hoeksteen geworden is.
12En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.
13Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.
14En ziende de mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.
15En hun geboden hebbende uit te gaan buiten de raad, overlegden zij met elkaar,
16Zeggende: Wat zullen wij deze mensen doen? Want dat er een bekend teken door hen is gedaan, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet ontkennen.
17Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid wordt, laat ons hen scherp dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in deze Naam spreken.
18En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij geheel niet zouden spreken, noch leren, in de Naam van Jezus.
19Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeel u, of het recht is voor God, u meer te horen dan God.
20Want wij kunnen niet laten te spreken, wat wij gezien en gehoord hebben.
21Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, vanwege het volk; want zij verheerlijkten allen God over wat er was gebeurd.
22Want de mens was meer dan veertig jaar oud, aan wie dit teken van genezing was gebeurd.
23En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hun, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.
24En als deze dat hoorden, hieven zij eensgezind hun stem op tot God, en zeiden: Heere! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die daarin zijn.
25Die door de mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
26De koningen van de aarde zijn samen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen de Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
27Want in waarheid zijn verzameld tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken van Israël;
28Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat gebeuren zou.
29En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienaren met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
30Daarin, dat U Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen gebeuren door de Naam van Uw heilig Kind Jezus.
31En als zij gebeden hadden, werd de plaats, waarin zij verzameld waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.
32En de menigte van degenen, die geloofden, was één van hart en één van ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, van zichzelf was, maar alle dingen waren hun gemeenschappelijk.
33En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
34Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden die aan de voeten van de apostelen.
35En aan ieder werd uitgedeeld, naar dat elk nodig had.
36En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas (dat is, overgezet zijnde, een zoon van de troost), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,
37Aangezien hij een akker had, verkocht hij die, en bracht het geld, en legde het aan de voeten van de apostelen.