Handelingen 5
Lees Handelingen 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Ananias wordt vanwege zijn geveinsdheid en leugen door Petrus bestraft en door God met een plotselinge dood gestraft. 7 Evenzo ook Saffira, zijn vrouw. 12 Vele wonderwerken geschieden aan de zieken en bezetenen door de apostelen, en ook door de schaduw van Petrus. 17 De apostelen worden gevangen. 19 En door een engel bevrijd. 21 De Joodse Raad, vergaderd, zendt om hen te halen, maar vindt de kerker leeg. 26 Zij worden uit de tempel gehaald en opnieuw voor de Raad gebracht. 29 Bij wie zij zich verantwoorden en getuigen van Christus en zijn opstanding. 33 De Raad wil hen doden. 34 Maar op Gamaliëls waarschuwing worden zij losgelaten, 40 maar eerst gegeseld. 41 Waarover zij zich verblijden en even vrijmoedig voortgaan met prediken.
1En een zeker man, met de naam Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht zijn bezittingen;
2En onttrok van de prijs, ook met medeweten van zijn vrouw; en bracht een deel, en legde dat aan de voeten van de apostelen.
3En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat u de Heilige Geest liegen zou, en onttrekken van de prijs van het land?
4Als het gebleven was, bleef het van u, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat u deze daad in uw hart hebt voorgenomen? U hebt de mensen niet gelogen, maar God.
5En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.
6En de jongemannen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.
7En ongeveer drie uur later kwam ook zijn vrouw binnen, zonder te weten wat er was gebeurd;
8En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel.
9En Petrus zei tot haar: Wat is het, dat u onder elkaar hebt overeengestemd te verzoeken de Geest van de Heere? Zie, de voeten van degenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.
10En zij viel meteen neer voor zijn voeten, en gaf de geest. En de jongemannen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.
11En er kwam grote vrees over heel de gemeente, en over allen, die dit hoorden.
12En door de handen van de apostelen werden vele tekenen en wonderen onder het volk gedaan; en zij waren allen eensgezind in het voorhof van Salomo.
13En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
14En er werden meer en meer toegedaan, die de Heere geloofden, menigten zowel van mannen als van vrouwen;
15Zo dat zij de zieken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en ligmatten, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.
16En ook de menigte uit de omliggende steden kwam samen te Jeruzalem, brachten zieken, en die van onreine geesten gekweld waren; die allen genezen werden.
17En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (die was de sekte van de Sadduceën), en werden vervuld met jaloezie;
18En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de openbare gevangenis.
19Maar de engel van de Heere opende bij nacht de deuren van de gevangenis en leidde hen uit, en zei:
20Ga, en staat en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden van het leven.
21Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen de raad samen, en al de oudsten van de Israëlieten, en zonden naar de kerker, om hen te halen.
22Maar als de dienaren daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden opnieuw, en meldden dit.
23Zeggende: Wij vonden wel de kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.
24Toen nu de hogepriester en de hoofdman van de tempel, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij in twijfel over hen, wat toch dit worden zou.
25En er kwam een, en meldde hun, zeggende: Zie, de mannen, die u in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel, en leren het volk.
26Toen ging de hoofdman erheen, met de dienaren, en bracht hen, maar niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd werden).
27En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de raad; en de hogepriester vroeg hun, en zei:
28Hebben wij u niet ernstig aangezegd, dat u in deze Naam niet zou leren? En zie, u hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen.
29Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet voor God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen.
30De God van onze vaders heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt, Hem hangend aan het hout.
31Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden.
32En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Die God gegeven heeft degenen, die Hem gehoorzaam zijn.
33Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden.
34Maar een zekere Farizeeër stond op in de raad, met de naam Gamaliël, een leraar van de wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.
35En hij zei tot hen: U Israëlietische mannen, ziet voor u, wat u doen zult wat dit betreft mensen.
36Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, die een getal van ongeveer vierhonderd mannen aanhing; die is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.
37Na hem stond op Judas, de Galileër in de dagen van de beschrijving, en maakte veel van het volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.
38En nu zeg ik u: Houd af van deze mensen, en laat hen gaan; want als deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.
39Maar als het uit God is, kunt u het niet kapotmaken; opdat u niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.
40En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan.
41Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waardig geacht waren om omwille van Zijn Naam smaad te lijden.
42En zij hielden niet op, allen dag, in de tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.