BijbelHandelingen

Handelingen 7

Lees Handelingen 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Stefanus, zich voor de Raad verantwoordend, verhaalt hoe God Abraham uit Chaldea geleid, met hem en zijn nageslacht een verbond gesloten, en hun het land Kanaän beloofd had. 9 Dat Jozef in Egypte verkocht en daar tot vorst gesteld is. 11 En dat Jakob om de hongersnood met zijn geslacht daarheen getrokken en gestorven is. 17 Hoe zijn nakomelingen daar vermeerderd en wreed behandeld zijn. 20 Hoe Mozes geboren, te vondeling gelegd, en door de dochter van de farao opgenomen en opgevoed is in alle wijsheid van de Egyptearen. 23 Dat hij zijn broeders bezocht en de Egypteaar doodde die één van hen verongelijkte. 27 Wat hem verweten wordt. 29 En hij daarom naar Midian vlucht. 30 Waar God hem in een brandende doornstruik verschijnt en naar Egypte zendt om het volk te verlossen. 37 Die van Christus profeteert, 38 en de Wet ontvangt. 39 Hoe het gouden kalf gemaakt wordt en daarmee afgoderij bedreven, alzok met Moloch. 44 Hoe de tabernakel opgericht en onder hen geweest is tot de tijden van Salomo, die de tempel gebouwd heeft. 51 Verwijt hun verder dat zij in hardnekkigheid en wreedheid hun vaderen gelijk zijn. 54 Waarover zij verbitterd worden tegen hem en hem stenigen; maar hij, de hemel open ziende, beveelt Christus zijn ziel, bidt voor hen, en sterft.

1En de hogepriester zei: Zijn dan deze dingen zo?

2En hij zei: U broeders en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran;

3En zei tot hem: "Ga uit uw land en uit uw familie, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal."

4Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont.

5En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook niet één voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelf tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.

6En God sprak zo: "Uw zaad zal vreemdeling zijn in een vreemd land, en zij zullen het dienstbaar maken en mishandelen, vierhonderd jaren."

7"En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen," sprak God, "en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats."

8En Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis; en zo verwekte hij Izak, en besneed hem op de achtste dag; en Izak verwekte Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen.

9En de patriarchen, jaloers zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,

10En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en heel zijn huis.

11En er kwam een hongersnood over heel het land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen voedsel.

12Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.

13En in de tweede reize werd Jozef zijn broers bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.

14En Jozef stuurde bericht en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.

15En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.

16En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som geld, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.

17Maar als nu de tijd van de belofte, die God aan Abraham gezworen had, naderde, groeide het volk en vermenigvuldigde in Egypte;

18Totdat een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had.

19Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en behandelde onze vaders slecht, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voortplanten.

20In die tijd werd Mozes geboren, en was uitnemend schoon; die drie maanden opgevoed werd in het huis van zijn vader.

21En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon.

22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.

23Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broers, de Israëlieten, te bezoeken.

24En ziende één, die onrecht leed, beschermde hij hem, en nam wraak voor hem die onrecht werd aangedaan, en versloeg de Egyptenaar.

25En hij meende, dat zijn broers zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.

26En de volgenden dag werd hij van hen gezien, omdat zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, u bent broeders; waarom doet u elkaar ongelijk?

27En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?

28Wilt u mij ook ombrengen, zoals u gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt?

29En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte.

30En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel van de Heere, in de woestijn van de berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.

31Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het visioen; en als hij daarheen ging, om dat te bekijken, klonk er een stem van de Heere tot hem,

32Zeggende: "Ik ben de God van uw vaders, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob." En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bekijken.

33En de Heere zei tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats waarin u staat, is heilig land.

34Ik heb duidelijk gezien de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom hierheen, Ik zal u naar Egypte zenden.

35Deze Mozes, die zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in het doornenbos.

36Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.

37Deze is de Mozes, die tot de Israëlieten gezegd heeft: "De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broeders, zoals mij; Die zult u horen."

38Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaders; die de levende woorden ontving, om ons die te geven.

39Die onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weer naar Egypte;

40Zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat deze Mozes betreft, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem is gebeurd.

41En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offergave tot de afgod, en verheugden zich in de werken van hun handen.

42En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het leger van de hemel dienden, zoals geschreven is in het boek van de profeten: "Hebt u ook slachtoffers en offergaven Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, u huis van Israël?

43Ja, u hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren aan de overzijde van Babylon.

44De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaders in de woestijn, zoals bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij die maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;

45Die ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht van onze vaders, tot de dagen van David toe;

46Die voor God genade gevonden heeft, en verzocht heeft te vinden een woning voor de God van Jakob.

47En Salomo bouwde Hem een huis.

48Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; zoals de profeet zegt:

49De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Van mijn voeten. Wat voor huis zult u Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Van mijn ruste?

50Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?

51U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; zoals uw vaders, zo ook u.

52Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardigen, van Welke u nu verraders en moordenaars geworden bent.

53U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden!

54Als zij nu dit hoorden, barstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.

55Maar hij, vol zijnde van de Heilige Geest, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God.

56En hij zei: Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God.

57Maar zij, roepende met luide stem, stopten hun oren, en vielen eensgezind op hem aan;

58En wierpen hem de stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, genoemd Saulus.

59En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest.

60En vallende op de knieën, riep hij met luide stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.