BijbelHandelingen

Handelingen 9

Lees Handelingen 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Saulus reist naar Damascus om de gelovigen daar ook te vervolgen. 3 Wordt onderweg uit de hemel door een licht omstraald, ter aarde geworpen, en door Christus zelf bestraft en met blindheid geslagen. 10 Ananias wordt tot hem gezonden, die eerst bevreesd is tot hem te gaan. 15 Maar daarna tot hem komt, hem weer ziende maakt, onderricht en doopt. 20 Saulus predikt Christus in de zijnagogen. 23 De Joden leggen hem lagen. 25 Maar hij ontsnapt over de stadsmuur in een mand. 26 Hij komt te Jeruzalem en wordt door Barnabas bij de apostelen gebracht, en predikt ook Christus aldaar. 30 Reist naar Tarsen om de lagen van de Joden te ontgaan. 31 De gemeenten hebben vrede en nemen toe. 32 Petrus komt te Lydda en geneest Eneas. 36 Wordt te Joppe ontboden en wekt Tabitha op, die gestorven was. 42 Waardoor velen geloven.

1En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heere, ging tot de hogepriester,

2En verzocht brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij hen, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.

3En als hij reisde, is het gebeurd, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen plotseling een licht van de hemel;

4En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?

5En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is u hard, de hiel tegen de prikkels te slaan.

6En hij, bevende en verbaasd zijnde, zei: Heere, wat wilt U, dat ik doen zal? En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal daar gezegd worden, wat u doen moet.

7En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.

8En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem in Damascus.

9En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.

10En er was in Damascus een discipel met de naam Ananias; en de Heere zei tot hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere!

11En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genoemd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met de naam Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.

12En hij heeft in een visioen gezien, dat een man, met de naam Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij opnieuw ziende werd.

13En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van deze man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;

14En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.

15Maar de Heere zei tot hem: Ga, want deze is voor Mij een uitverkoren werktuig, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de Israëlieten.

16Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.

17En Ananias ging op weg en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwam, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden.

18En meteen vielen af van zijn ogen als schellen, en hij werd meteen opnieuw ziende; en stond op, en werd gedoopt.

19En als hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die in Damascus waren.

20En hij predikte meteen Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.

21En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie deze Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij hen geboeid voor de overpriesters zou brengen?

22Maar Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die in Damascus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.

23En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden samen raad, om hem te doden.

24Maar hun samenzwering werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, zowel overdag als bij nacht, opdat zij hem doden mochten.

25Maar de discipelen namen hem bij nacht, en lieten hem door de muur naar beneden, hem aflatende in een mand.

26Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.

27Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en vertelde hun, hoe hij op de weg de Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij in Damascus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus.

28En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;

29En vrijmoedig sprekende in de Naam van de Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden.

30Maar de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.

31De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vrees voor de Heere, en de troost van de Heilige Geest, werden vermenigvuldigd.

32Toen Petrus overal doortrok, kwam hij ook af tot de heiligen, die te Lydda woonden.

33En daar vond hij een man met de naam Aeneas, die acht jaren te bed gelegen had, die geraakt was.

34En Petrus zei tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelf het bed. En hij stond meteen op.

35En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, die zich bekeerden tot de Heere.

36En te Joppe was een discipelin met de naam Tabitha, dat overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en liefdegaven, die zij deed.

37In die dagen werd zij ziek en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.

38En zo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus daar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou talmen om tot hen over te komen.

39En Petrus stond op, en ging met hen; die zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, huilend, en tonende de rokken en kleren, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.

40Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neer en bad: en zich kerende tot het lichaam, zei hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind.

41En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen.

42En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in de Heere.

43En hij bleef vele dagen te Joppe, bij een zekere Simon, een leerlooier.